Dierproef straks niet meer nodig

Muizenhart zegt niets, test die medicijnen toch op menselijke stamcellen, aldus Christine Mummery.

Als je naar de dokter gaat en hij schrijft een recept uit, dan ga je ervan uit dat het voorgeschreven medicijn veilig is. Er kunnen misschien enkele bijwerkingen optreden, vermeld in de bijsluiter, maar je verwacht niet dat je zomaar dood zou kunnen gaan na het eerste pilletje. Hoe weet je dat zo zeker? Dat komt omdat al onze medicijnen vooraf uitgebreid getest worden op veiligheid. Die tests worden hoofdzakelijk gedaan op dieren. Alleen al in Groot-Brittannië zijn er jaarlijks 475.290 tests nodig op muizen, cavia’s, ratten, konijnen, honden en apen om alle medicijnen die op de markt komen te controleren op veiligheid. Zo’n proces is langdurig – het duurt vaak meer dan tien jaar – en de kosten zijn hoog: gemiddeld twee miljard euro om een nieuw medicijn op de markt te brengen. Het grootste deel van de kosten zit hem in het vaststellen van de veiligheid voor mensen, en vooral of er bijwerkingen zijn voor het hart, lever of nieren: die organen zijn bijzonder gevoelig. Bepaalde soorten chemotherapie zijn uitermate geschikt voor het behandelen van borstkanker, maar tien jaar na dato ontwikkelen sommige vrouwen ernstig hartfalen. Of nog erger: er treedt een plotse hartdood op. Het hart slaat dan ineens op hol na inname van één pilletje dat goed uit veiligheidstests kwam (in het verleden het geval bij bepaalde afslank- of slaapmiddelen) en binnen een paar minuten houdt het helemaal op met kloppen. In die gevallen is het middel veel erger dan de kwaal.

Een medicijn mag alleen op de markt komen als het getest is op dieren. Ondanks alle proeven om de veiligheid te onderzoeken, zowel in het laboratorium op gekweekte cellen als in ‘slapende’ of wakkere dieren, is dit echter geen garantie dat het veilig is voor mensen. We weten niet altijd of er ernstige bijwerkingen zullen optreden en waarom de ene patiënt wel last van bijwerkingen krijgt en de andere niet. Als we weer het hart als voorbeeld nemen: een van de redenen dat bijwerkingen van medicijnen bij dieren anders zijn dan bij mensen is dat dieren en mensen gewoon verschillend zijn wat betreft het hart.

Niet alleen in grootte. Een muizen- of rattenhart, bijvoorbeeld, klopt ongeveer 500 keer per minuut, terwijl een menselijk hart dat maar 60 keer doet. En als een kat achter een muis aan jaagt, trekt het hart van die muis zich daar helemaal niets van aan: het blijft gewoon 500 keer per minuut kloppen. Bij een mens is dat heel anders: als die achternagezeten wordt door een tijger, klopt zijn hart zeker twee tot drie keer zo snel. Mensen hebben een heel andere fysiologie dan (veel) dieren en dus zijn dieren soms helemaal niet geschikt om medicijnen voor mensen te testen.

Is deze wijze van testen of een medicijn veilig is voor mensen daarom een methode die bij het grofvuil kan? En deugt de wet die dierproeven voorschrijft dan niet? Ja en nee. Er zijn experimenten waar dieren absoluut bij nodig zijn.

Denk aan vragen zoals wat een bepaald gen doet bij de ontwikkeling van een embryo of hoe een tumor ontstaat en zich verspreidt door het lichaam. Maar als een dierenhart en een mensenhart zo van elkaar verschillen, dan is het toch ook geen wonder dat er af en toe onveilige medicijnen door onze veiligheidstests glippen? Sinds een paar jaar begint het duidelijk te worden dat we voor het hart mogelijk een beter alternatief hebben. Dat zijn menselijke hartcellen afkomstig van stamcellen. De stamcellen kunnen ‘embryonale’ zijn, afkomstig van restembryo’s die overblijven na een vruchtbaarheidsbehandeling, maar het kunnen ook zogenaamd ‘geïnduceerd pluripotente stamcellen’ zijn, afgekort als iPS-cellen. In 2007 ontdekte een Japanse onderzoeker, Shinya Yamanaka, dat je van gewone lichaamscellen echte stamcellen kon maken. Dit wetenschappelijk ‘trucje’ was zo origineel en bijzonder dat Yamanaka daarmee in 2012 de Nobelprijs heeft gewonnen. In het laboratorium zijn deze iPS-cellen in staat alle cellen in het menselijk lichaam te maken: niercellen, levercellen maar ook hartcellen. In feite alle celtypen die gevoelig zijn voor toxische effecten van medicijnen.

En wat blijkt: menselijke hartcellen, gemaakt van iPS-cellen, zijn heel goed in staat om bijwerkingen van medicijnen op te sporen. Veel medicijnen die onterecht door dierproeven heen glipten, zijn er zo uitgepikt. Ze doen het nu zo goed dat de FDA (de organisatie in de Verenigde Staten die voorschrijft welke tests gedaan moeten worden voordat een medicijn op de markt toegelaten wordt) zegt dat ze bij voorkeur binnen twee jaar alle medicijnentests met deze hartcellen willen doen. Dat zou een heel grote bijdrage zijn aan het verminderen van dierproeven.

Niet gedreven door de idealistische doelen van dierenbescherming en – welzijn, wat natuurlijk heel nobel is, maar geboren uit het idee dat er betere alternatieven zijn. In ieder geval voor dit doeleinde. En dat geldt ook voor nier-, lever- en andere cellen van stamcellen. Als acceptatie van deze stamceltests toeneemt, kunnen die wellicht ook dienen voor testsystemen om milieuvervuiling, chemicaliën gebruikt in de landbouwindustrie, voedingsstoffen en cosmetica-intolerantie op te sporen.

Kunnen dierproeven om bijwerkingen van medicijnen op te sporen met pensioen? Bijna.