De zon deed helemaal niet raar in de 17de eeuw

Tijdens de zeventiende eeuw waren zonnevlekken zeldzaam. In sommige jaren zag men er niet één. Nu blijkt dat dat aan de astronomen lag, niet aan de zon.

Zonnevlekken zijn relatief koele gebieden aan het gloeiend hete oppervlak van de zon. Foto Nasa

Er gaat bijna geen dag voorbij zonder dat de zon één of meer vlekken vertoont. Maar tijdens een groot deel van de zeventiende eeuw waren die heel zeldzaam. In sommige jaren zag men er zelfs niet één, terwijl toen juist de telescoop in opmars was. Waarom deed de zon toen zo vreemd? Was er onder zijn oppervlak iets bijzonders aan de hand? Onderzoekers van de Universiteit van Sint Petersburg denken dat dit vlekkentekort mede aan de astronomen lag. Die legden niet alles vast wat zij zagen.

Zonnevlekken zijn relatief koele gebieden aan het gloeiend hete oppervlak van de zon. Maar toen astronomen in de zeventiende eeuw hun telescopen op de zon richtten, wist men dat nog niet. Sommigen dachten al wel dat het verschijnselen op de zon waren, maar de overheersende, kerkelijke leer was dat het schaduwen waren van planeetachtige objecten die voor de zon langs bewogen. Een echo van het wereldbeeld uit de Oudheid, toen de zon als een ‘smetteloze bol van vuur’ werd beschouwd. Dit vuur draaide tezamen met de maan en de toen bekende planeten rond de aarde, het centrum van het zonnestelsel. En de sterren waren een soort kristallen die aan de hemelbol vastzaten. De wetenschap had nog een lange weg te gaan.

Volgens Nadya Zolotova en Dmitri Ponyavin was dit wereldbeeld mede verantwoordelijk voor het zeer geringe aantal berichten over zonnevlekken uit die tijd, zo schreven zij recentelijk in The Astrophysical Journal. Astronomen letten toen vooral op de ronde vlekken c.q. schaduwen op de zon. Had een vlek een grillige vorm, of bestond hij uit nog kleinere vlekjes, dan negeerde men hem soms om niet met de leer van de smetteloze zon in botsing te komen. Soms publiceerden astronomen hun waarnemingen anoniem, of pas later, of niet.

Dit selectief waarnemen van zonnevlekken zou ook verklaren waarom de ene astronoom op een bepaalde dag wel zonnevlekken registreerde, terwijl een andere er geen of minder optekende. Of waarom de een de zon ging waarnemen als er vlekken verschenen, terwijl een ander dan juist stopte. Of waarom pas in 1843, dus twee eeuwen later, ontdekt werd dat het aantal zonnevlekken steeds in de loop van elf jaar toe- en afneemt, de activiteitscyclus van de zon.

Als al deze effecten in rekening worden gebracht, blijkt de vlekkenactiviteit in de zeventiende eeuw overeen te komen met die tijdens de rustigste perioden van de zon in de daaropvolgende eeuwen. De zon deed dus helemaal niet zo raar. Die conclusie is belangrijk voor zonne-onderzoekers, maar ook voor klimatologen. In de zeventiende eeuw heerste namelijk de Kleine IJstijd, een periode van zeer strenge winters in Europa en Noord-Amerika.

Over de mate waarin de zon hierin een rol kan hebben gespeeld, lopen de meningen uiteen. Tot voor kort ging men hierbij uit van een forse daling van de zonneactiviteit, maar nu lijkt diezelfde afkoeling al bij een veel geringere daling te kunnen zijn opgetreden. Voer voor klimatologen dus.