De oase is een triomf

Kunstenaar Henri Matisse is zo goed dat je zonder de meesterwerken toch gemakkelijk een geweldige tentoonstelling kunt maken. Maar dan moet er wel een goed idee achter zitten. Het Stedelijk Museum verwijst met de expositie De oase van Matisse naar de ‘tuin’ van grote, kleurige zelfgeknipte bladeren en parkieten en sirenes waartussen Matisse zich aan het einde van zijn leven terugtrok. Maar die oase bestaat ook uit al die Stedelijk-kunst waartussen Matisses werk hier onderdak vindt – prachtige werken, allemaal. De schilderijen van Matisse schuilen nu tussen Courbet, Manet en Breitner, hij trekt zich op aan Picasso, Malevitsj en Jawlensky om uiteindelijk, met zijn grote late knipsels over de doeken van Ellsworth Kelly, Rothko en Newman heen te toeteren met de speelsheid en impact van een reuzenkind dat zijn eigen krachten niet kent. In die onverwachte maar rijke bedding, soms educatief, soms speels, soms weerbarstig, waaraan de rijkdom van Matisses oeuvre wordt afgemeten, ligt de kracht van de tentoonstelling.

Zo slaat het Stedelijk met De oase van Matisse twee vliegen in één klap: het toont wat een rijke en krachtige en inspirerende kunstenaar Matisse wel niet was en laat in één moeite door zien wat er allemaal mogelijk is met de eigen geweldige, rijke collectie. En, ook niet onbelangrijk: op deze tentoonstelling toont het Stedelijk eindelijk weer het plezier dat zo lang heeft ontbroken, het lef, de rijkdom – het besef dat het (bijna) alles in huis heeft om een genie als Matisse op te stuwen in de kunsthistorische vaart der volkeren. Dat geeft het museum ongetwijfeld hernieuwde kracht.

De oase van Matisse is een triomf.