DE MACHT schuwt boude boeken

De Amerikaanse historicus Robert Darnton laat zien hoe in 18de-eeuws Frankrijk, 19de-eeuws Brits-India en in de DDR de vrijheid van meningsuiting aan banden werd gelegd.

In bepaalde periodes zijn sommige begrippen aan inflatie onderhevig. Een man die in de jaren zeventig een vrouw een complimentje over haar uiterlijk maakte, liep de kans uitgemaakt te worden voor ‘seksist’. Tien jaar later was één opmerking over abject gedrag van een ‘niet-westerse allochtoon’ al voldoende om het etiket ‘racist’ opgeplakt te krijgen. Met echt seksisme of racisme hoefde het niets te maken hebben, maar het was wel een gemakkelijke methode om mensen die je niet aanstonden verdacht te maken. Tegenwoordig is ‘censuur’ zo’n inflatoir begrip.

Een gemeentebestuur dat seksueel getinte reclame op bushokjes verbiedt? Censuur! Een internetprovider die video’s van onthoofdingen tegenhoudt? Censuur! Een hoofdredacteur die weigert een slordig beargumenteerde column of slecht gedocumenteerd artikel te plaatsen? Censuur! Een cartoonist die het niet zinvol acht week in week uit geiten neukende moslims of een zich aan kleine meisjes vergrijpende Mohammed te tekenen? Het ergste dat er is: zelfcensuur!

Maar wat is censuur eigenlijk? Elke vorm van macht houdt in dat iets tegengehouden kan worden. Een werkgever kan van zijn werknemers eisen dat ze bepaalde informatie voor zich houden. Een uitgever kan een auteur voorstellen iets op een andere wijze te formuleren. Ouders kunnen hun kind verbieden bepaalde zaken op Facebook te zetten. Is dat allemaal censuur? Is dit altijd een verwerpelijke vorm van machtsuitoefening?

In zijn nieuwste boek Censors at Work stelt de Amerikaanse cultuurhistoricus Robert Darnton dat als het begrip censuur zo ruim wordt opgerekt, het alle betekenis verliest. Dan kun je geen onderscheid meer maken tussen welwillend advies, oprecht bedoeld om een tekst beter te maken of onnodige schade te voorkomen, en de meest brute vormen van machtsmisbruik. Maar wat erger is, je ziet niet langer de verschillen tussen samenlevingen waarin vormen van zulke uiteenlopende vormen van ‘censuur’ voorkomen.

Darnton wil het begrip censuur beperken tot samenlevingen waarin de staat of een georganiseerde religie daadwerkelijk ingrijpt en structureel macht uitoefent om te voorkomen dat bepaalde opvattingen of feiten gepubliceerd worden. Maar zelfs dan kan censuur er heel verschillend uitzien, en is het resultaat vaak niet te voorspellen. Om dit te laten zien presenteert Darnton drie casestudies, over samenlevingen die op het eerste gezicht niet veel met elkaar te maken hebben: het achttiende-eeuwse Frankrijk, Brits-India in de negentiende eeuw, en de DDR.

Ancien Régime

Dat Darnton over censuur in het Frankrijk van het ancien régime schrijft zal niet verrassen, aangezien een van zijn bekendste boeken The Forbidden Best-Sellers of Pre-Revolutionary France (1996) heet. Hierin bracht hij de wereld van de clandestiene literatuur in kaart en behandelde hij uiteenlopende politieke schotschriften, anti-religieuze traktaten, lasterlijke aanvallen op personen, en pornografie. Dit waren werkjes waarvan auteurs en drukkers wisten dat ze geen enkele kans maakten om door de censuur te komen, en die dus ‘onder de mantel’ verkocht werden en bestreden werden door een speciale politie-eenheid.

Wie in Frankrijk langs officiële weg een boek wilde uitbrengen, moest een koninklijk privilege aanvragen bij de Direction de la librairie. Deze vrij informeel georganiseerde instelling stond lange tijd onder leiding van Chrétien-Guillaume de Malesherbes, een erudiet man die bevriend was met de meeste philosophes. Bekend is het verhaal dat toen deel 7 van de Encyclopédie verboden werd, Malesherbes Diderot waarschuwde dat hij zijn papieren in veiligheid moest brengen, en de laatste gaf ze toen maar aan hem in bewaring. Het huis van het hoofd van de censuur was immers wel de laatste plek waar de politie zou zoeken. De censors die voor Malesherbes werkten waren vaak zelf gerenommeerde auteurs, en hun werk kwam niet zelden neer op het verbeteren van de tekst, omdat ze de ‘eer van de Franse literatuur’ hoog wilden houden. Daarna schreven ze een aanbeveling, die in het boek werd afgedrukt. Mocht een boek soms toch enigszins problematisch zijn, dan werd er geen ‘privilege’ afgegeven, maar kon het wel met stilzwijgende toestemming verschijnen.

Goede zeden

Het verhaal van de Britten in India is heel anders, aangezien zich hier duidelijk de spanning tussen liberalisme en imperialisme manifesteerde. De Britten waren trots op hun rule of law en de vrijheid van meningsuiting, maar tegelijkertijd wilden ze natuurlijk niet dat de inheemse bevolking in opstand kwam. Preventieve censuur bestond niet en heel lang had het koloniale bewind geen idee wat er in de inheemse talen gedrukt werd. Pas toen er een uit het Bengali vertaalde roman over de mensonterende toestanden op de indigoplantages verscheen, werd die door de rechter verboden, omdat het boek in strijd met de goede zeden zou zijn. Ook geschriften waarin zogenaamd de eer en goede naam van Britse onderdanen werd aangetast werden op deze manier zoveel mogelijk onderdrukt.

Darntons derde gevalsbeschrijving handelt over censuur zoals we ons die vermoedelijk voorstellen. In de DDR was de hele boekproductie, net als de rest van het maatschappelijk leven, een kwestie van planning. Er werd van te voren vastgesteld hoeveel fictie en non-fictie er mocht verschijnen, welke onderwerpen aan de orde kwamen, en hoe groot de oplages zouden zijn.

De betrokken ambtenaren zagen zichzelf niet als mensen die erop uit waren om zoveel mogelijk te verbieden, maar als cultuurdragers die verantwoordelijk waren voor kwalitatief goede boeken. Ook hier fungeerden de censors deels als redacteuren, hielpen ze schrijvers soms bij het zodanig verpakken van hun kritiek dat publicatie mogelijk werd, en er zijn zelfs gevallen bekend waarin ze boeken afkeurden die al te jubelend over het regime waren.

Voor de goede orde: Darnton beseft dat de DDR een politiestaat was en verdedigt de censuur geenszins. Hij wil alleen ontdekken hoe in verschillende landen geprobeerd werd de publieke opinie te beïnvloeden en te manipuleren, en hoe de betrokkenen – auteurs én censors – daarmee omgingen. Schrijvers bleken soms bereid heel veel in te slikken, maar beschikten soms ook over behoorlijk wat manoeuvreerruimte. En de censors wisten vaak handig gebruik te maken van de speelruimte die de bureaucratie bood. Dat doet aan de verwerpelijkheid van het communistische systeem en andere repressieve regimes niets af, maar het maakt de geschiedenis wel interessanter en menselijker.

Darnton heeft geen filosofisch of politiek traktaat over de vrijheid van meningsuiting geschreven en gaat dus niet expliciet in op de vraag hoe wij tegenwoordig omgaan met controversiële teksten. Zijn boek laat wél zien dat een eenduidige definitie van het begrip ‘censuur’ onmogelijk is, en dat je het niet al te lichtvaardig moet gebruiken.

    • Rob Hartmans