De dichter is in ‘blijde’ verwachting

Een dichter wordt vader. ‘Je moeder kotst de ochtend vol./ Ik timmer nieuwe kasten’ en meer beslommeringen. Ook zijn elfde bundel vertoont gedurfde metaforen en absurdisme.

In zijn nieuwe dichtbundel beschouwt Ingmar Heytze een recente verandering in zijn bestaan. Hij werd voor het eerst vader, en dat zette zijn leven in een nieuw licht. De titel van de bundel vat de ommekeer zwartgallig samen: De man die ophield te bestaan. En zo lijkt het soms ook in de hectische dagen die voorafgaan aan de geboorte van zijn dochter, en die er op volgen. Als zijn vriendin met de vroedvrouw praat, schrijft Heytze: ‘Ik heb straf vandaag, zit op een stoel, / niet te bestaan.’

En bij het zien van de tweede echo noteert hij: ‘Ik kom in het verhaal niet voor. Ik ben een hand / in een hand, een passant die kijkt en zwijgt, / zo overbodig als een god na afloop van de zesde dag.’

Dit suggereert een negatieve kijk op het vaderschap. Maar die conclusie is niet terecht. In het gedicht ‘Vroedmeester’ poneert Heytze een zelfbeeld dat vooral onzekerheid toont:

Iedereen in de behandelkamer vraagt zich af

wat moet dat oude kind hier nog, wat is hij meer

dan een grijns zonder kat, een verlegen fluittoon

in de schemering, wachtend op antwoord.

Die ‘grijns zonder kat’ komt van Lewis Carroll, en Heytze speelt vaker leentjebuur in deze bundel. Vijf gedichten zijn vrije bewerkingen naar het Engels van weinig bekende dichters zoals Cecilia Woloch en Bob Hicok. Zo veel imitatie kan bezwaarlijk zijn, maar niet als het zulke goede verzen oplevert. Soms werkt een citaat ook als wegwijzer. Het gedicht ‘Blijde verwachting’ eindigt met een verwijzing naar het gedicht ‘Familiebezoek’ van Gerrit Komrij. Dat vers staat in De os op de klokketoren (1981), een bundel waarin Komrij regel na regel het artistieke spel van de ‘Verkeerde wereld’ bedrijft. In die wereld is het een en al ommekeer: lelijk wordt mooi, de koe melkt de boerin, en de jager is het haasje. In ‘Blijde verwachting’ zinspeelt Heytze op deze hyperbolische stijlfiguur.

Je moeder kotst de ochtend vol.

Ik timmer nieuwe kasten.

Geen koffie meer. We leven

in een koker en we wachten,

we slepen ons als slakken

naar een stralend nieuw begin.

’s Nachts kerf ik in mijn kussen

wat ik overdag niet denken mag.

Een dode dichter fluistert in mijn oor:

‘De vrouw is zwanger van een urn met as.’

Dat is vakmanschap met gevoel. Ingmar Heytze is daar goed in, zoals hij inmiddels al in ruim tien bundels bewees. Guus Middag prees in deze krant (Boeken, 10.2.2012) zijn absurdisme en scherpe beeldspraak. Ik deel die lof en verbaas me daarbij steeds weer over de gedurfde metaforen. In de buurt van water bijvoorbeeld steken muggen volgens Heytze ‘zoals sterren vallen / in augustus: gretig, vaak en onverwacht.’ Dan is het zaak ‘zolang het gaat, om te leven zoals je schermt, // vanuit de ooghoeken, nét iets sneller dan je denkt.’

Dat het nog wilder, nog gedurfder kan, bewijzen de eerste coupletten van ‘Wisselgeld’. ‘Zoals in de buitenste vuilniszak / van een verse rol,’ stelt Heytze daar, ‘altijd eerst de verpakking / van die rol gaat – scheuren, uitslaan, frommelen, // klep dicht, klaar – zo vind je bij elke verhuizing / weer hetzelfde blik met sleutels. Je hebt geen / flauw idee of ze nog passen, op welk slot.’ Dit is een haast homerische vergelijking, maar hij is ook zo oneigenlijk als ‘Het gras is zo groen als mijn hoedje paars is’. Toch werkt het. Beide beelden komen uit de huislijke beslommering, die onderwerp is van dit gedicht. K. Schippers zou het geschreven kunnen hebben. Aan hem is het dan ook opgedragen.

‘Ergens, denk je, / staat een huis waarin je thuiskomt,’ concludeert Heytze in ‘Wisselgeld’. ‘Alles past.’ En door die slotregels past dit gedicht moeiteloos in een bundel over het vaderschap, dat aanpassing vraagt. Die onverwachte eis verwoordt de dichter in ‘Dochter’, dat ik het mooiste gedicht van de bundel vindt. Het laat zich lezen als een wiegelied, maar het is ook een bekentenisvers van de prille, onzekere vader.

Langzaamaan begin ik te begrijpen

dat we alle drie tegelijk geboren worden.

Je vader is niet snel met zulke dingen,

zingen kan hij ook niet goed,

gelukkig heb je nog een moeder.

Verder tast ik over alles in het duister

en bewaar mijn schaarse goede raad

voor de dag waarop je me verstaat.

Ten eerste, luister niet naar mij.

Ten tweede, lach alleen op foto’s

als het echt niet anders kan.

Ten slotte: doe de dingen

waar je goed in bent en tel bij

elke schouderklop je vleugels na.

De man die ophield te bestaan is een kundig afgewogen bundel, waarin veel gedichten om herlezing vragen, en die ook verdragen.