Blijf stil naast me liggen tot je achttien bent

De vrouw wil een groot kunstenaar worden, maar dan krijgt ze een kind. Haar man pleegt verraad waarna de vrouw in een strijd met zichzelf verzeild raakt. Toch gaat deze roman over het wonder van alledag.

Foto Vincent Mentzel

De tweede roman van de Amerikaanse Jenny Offill (1968) bestaat geheel uit fragmenten: vignetten, gedachten, aforismen, opmerkelijke details uit het dagelijkse leven. De hoofdfiguren in Verbroken beloftes (oorspronkelijke titel Dept. of Speculation) worden nergens bij naam genoemd. In het begin zijn ze ‘ik’ en ‘jij’, later ‘de echtgenote’ en ‘de echtgenoot’, nog later ‘wij’. Het boek telt minder dan tweehonderd pagina’s die in twee uur te lezen zijn, maar de beelden die het oproept blijven nog lang rondspoken.

‘Antilopen zien tien keer beter dan wij, zei je. Dat betekent dat ze tijdens een heldere nacht de ringen van Saturnus kunnen zien.’ Zo begint Verbroken beloftes, met een schijnbaar losstaand beeld dat al gauw een onheilspellende betekenis aanneemt: het leven van de hoofdfiguur, de vrouw, wordt namelijk volledig op zijn kop gezet zonder dat zij het ziet aankomen. Ooit wilde ze een ‘kunstmonster’ worden, iemand die geen oog had voor het alledaagse leven, die volledig op haar schrijven gericht was. ‘Vrouwen worden bijna nooit kunstmonsters, want kunstmonsters houden zich enkel bezig met kunst, nooit met alledaagse dingen. Nabokov klapte niet eens zijn eigen paraplu in. Vera likte zijn postzegels voor hem.’ Maar nu ziet ze haar ambities gedwarsboomd door haar pasgeboren baby.

Manisch

Verbroken beloftes is een pijnlijk, vaak herkenbaar relaas over wat ouders allemaal opofferen voor hun kinderen. Dat is op zichzelf geen heel bijzonder onderwerp. Wat dit boek uniek maakt, is de intense strijd die de hoofdfiguur met zichzelf voert. Soms heeft ze het idee dat haar leven niets meer betekent (‘Wat hebben jullie vandaag gedaan, vroeg je altijd als je thuiskwam uit je werk, en dan deed ik mijn best om uit niets een anekdote voor je te fabriceren’), andere keren is ze verbitterd of zelfs manisch.

De baby is een vreemde, een ongenode gast die al haar aandacht opeist: ‘De baby had donkere ogen, bijna zwart, en als ik haar midden in de nacht voedde, staarde ze me met een verbijsterde drenkelingsblik aan, alsof mijn lichaam het eiland was waarop ze was aangespoeld.’ Maar ondanks haar frustratie, ontwikkelt ze een haast dierlijke liefde voor haar dochter. ‘Ik weet nog dat ik het woord voor het eerst tegen een onbekende zei. “Het is voor mijn dochter”, zei ik. Mijn hart klopte te snel, alsof ik gearresteerd zou kunnen worden.’

Dat contrast – de diepe band én vervreemding tussen de hoofdfiguur en haar leven – wordt op scherp gezet wanneer haar man vreemdgaat. Het gezin valt uiteen. De lezer, die eerst in het hoofd van de hoofdfiguur zat, kijkt nu van een afstand toe hoe het huwelijk ten onder gaat. De vrouw is ontzet door het verraad van haar man – ‘Je kunt nergens huilen in deze stad’ –, maar ze is nog steeds verliefd op hem. Zij is iemand die mensen ‘snel en vaak’ haat, die zich verbaast over de ‘scheefheid’ van haar hart en ‘hoe ondraaglijk het is dat dingen voortdurend kapotgaan’, terwijl hij genoeg geduld heeft om eindeloos gootstenen te ontstoppen en luis te bestrijden.

Middelvinger

Ondanks de pijn en onzekerheid van de hoofdfiguur, is Verbroken beloftes een komisch boek. ‘Voor haar zou ik het opgeven, alles,’ zegt de vrouw over haar dochter, ‘de uren in mijn eentje, het geweldige boek, de postzegel met mijn beeltenis erop, maar alleen als ze ermee instemde om stilletjes naast me te blijven liggen tot ze achttien is.’ Of: ‘’s Nachts in bed houden ze elkaars hand vast. Als de echtgenote heel voorzichtig is, lukt het haar dit te doen en tegelijkertijd stiekem haar middelvinger naar haar echtgenoot op te steken.’

Mettertijd ontdekt de vrouw dat de energie en opofferingen die haar huwelijk vereist, en die ze vroeger in haar schrijfcarrière wilde steken, hun eigen beloning hebben. Het gezin verhuist; de dochter gaat naar school; de vrouw en de man leggen het weer bij. Dit zijn kleine, huiselijke overwinningen. Maar daar draait het om in deze roman: het wonder van alledag. ‘Alle huwelijken zitten provisorisch in elkaar. Zelfs de huwelijken die er aan de buitenkant redelijk uitzien worden van binnen met kauwgom en draad en touwtjes bijeengehouden.’