Begrip dyslexie kan met het vuilnis mee

Dyslexie zorgt voor wildgroei aan behandelmethoden waar mensen met leesproblemen weinig aan hebben, aldus Victor van Daal.

Illustratie Arcadio Esquivel

Als er één begrip rijp is voor de schroothoop, dan is het wel ‘dyslexie’. Er is van alles mis met dit begrip. Er bestaat geen overeenstemming over wat het begrip inhoudt. Onder ‘dyslexie’ verstaat men alles tussen aan de ene kant problemen met het lezen van losse woorden tot en met leesproblemen die voorkomen samen met motorische problemen. Je zou verwachten dat zulke uiteenlopende opvattingen over wat dyslexie is, vooral onder leken voorkomt, maar niets is minder waar: door wetenschappers zijn al vele verschillende ‘definities’ voorgesteld in de laatste 150 (!) jaar. Het begon met observaties door medici van gevallen met ‘onverwachte’ leesproblemen, dat wil zeggen dat alles ‘normaal’ was aan het kind, maar dat het slechts met de grootst mogelijke moeite of helemaal niet leerde lezen. Later werd met dyslexie een discrepantie tussen leesprestatie en IQ bedoeld. Rare definitie, als je weet dat leren lezen niets met intelligentie te maken heeft.

Toen er vanaf de jaren zestig een stroom van wetenschappelijk onderzoek op gang kwam, werd de definitie ‘bij uitsluiting’ populair: een zwakke leesprestatie bij uitsluiting van intellectuele of zintuiglijke beperkingen, socio-economische achterstand, slecht onderwijs of, bijvoorbeeld, gedragsproblemen. Wat is het dan wel, zou je kunnen vragen.

Hoewel dit onderzoek consequent een schat aan kennis heeft opgeleverd over wat mogelijk de oorzaken of risicofactoren voor leesproblemen zijn en met welke leerproblemen deze vaker voorkomen , is niet zonder meer duidelijk wat er in een individueel geval gedaan moet worden. Een van de redenen waarom die schat van kennis niet echt helpt in een individueel geval is dat zelfs de best ondersteunde hypothese over de oorzaak van leesproblemen, de fonologische-deficithypothese, niet volledig het voorkomen van leesproblemen kan voorspellen. Die stelt dat tekorten in fonologische processen en vaardigheden, dat wil zeggen ongevoeligheid voor de klankstructuur van woorden, zoals weten wat vis zonder v is, tot leesproblemen leiden. Het is gebleken dat niet elk kind met leesproblemen ook fonologische problemen heeft, en andersom, niet elk kind zonder leesproblemen geen fonologische problemen kent. Zowel fonologische problemen als leesproblemen zouden het gevolg kunnen zijn van andere tekorten.

Er wordt vaak aangenomen dat je het hebt of dat je het niet hebt, zoiets als zwanger zijn. Je kunt echter wel degelijk milde leesproblemen hebben; je kunt daarentegen niet een beetje zwanger zijn. Het is op zijn minst unfair om dyslexie als een tweedeling met een arbitraire grens op te vatten, als een afgebakende en exclusieve ‘afwijking’ of ‘gesteldheid’, omdat je dan in de praktijk tekortdoet aan degene die nét niet aan de eisen van het toekennen van, bijvoorbeeld, examenduurverlenging voldoet.

Zo iemand presteert, objectief gezien, nauwelijks beter dan iemand die net wél aan de criteria voldoet. Een groot probleem vormen de talloze alternatieve behandelmethoden voor dyslexie. Aangezien ouders het beste voor hun kind willen, proberen ze van alles. Je weet immers maar nooit of jouw kind er misschien wél profijt van heeft. De alternatieve methoden kunnen onderverdeeld worden in: (1) perceptueel-motorische training, bijvoorbeeld balanstraining, ballen gooien en vangen, en dergelijke; (2) visuele interventies, zoals het dragen van prismabrillen of gekleurde glazen; (3) dieet, zoals walvisolie; (4) auditieve training, zoals het vertraagd afspelen van woorden en zinnen; en (5) biofeedback: het kind krijgt feedback over bijvoorbeeld zijn hartslagritme en moet dat binnen bepaalde grenzen houden. Van geen enkele van de bovengenoemde behandelmethoden kan gezegd worden dat er wetenschappelijk bewijs is voor hun effectiviteit, laat staan dat de theoretische achtergrond deugt. Dit komt doordat er slechte onderzoeksmethoden gebruikt zijn en vooral op anekdotes afgegaan wordt. Kortom, pseudowetenschap. Vooralsnog hebben kinderen met leesproblemen de meeste baat bij een methode die de nadruk legt op het oefenen van die aspecten van het leren lezen waarin het kind zwak is. In de ‘respons op interventie’-benadering, bijvoorbeeld, geeft men hoogwaardig en individueel aangepast leesonderwijs in een zo vroeg mogelijk stadium. Zelfs bij die benadering is het mogelijk dat het leesprobleem niet op te lossen is.

We kunnen de term ‘dyslexie’ beter overboord gooien en uitsluitend praten over ‘leesproblemen’ zonder van alles te veronderstellen over de oorzaak, het verloop en de behandeling van leesproblemen in plaats van er degelijk onderzoek naar te doen. In de praktijk zal het echter moeilijk zijn om de term dyslexie uit te roeien.

Degenen die de term toch willen blijven gebruiken, moeten uitleggen wat ze ermee bedoelen en wat het nut van de term is. Zoals ‘dyslexie’ tegenwoordig gebruikt wordt, betekent het echt helemaal niets en hebben personen met leesproblemen er al helemaal niets aan. Vuilnisman...!

    • Victor van Daal