Column

Bedreigd

Op 13 mei vorig jaar kwam journalist Marta Durán de Huerta thuis in haar appartement in Mexico City en luisterde haar antwoordapparaat af. Eerste boodschap: „Ik ga je vermoorden.” En dat betekent in Mexico iets anders dan op Twitter in Nederland.

In Mexico zijn de afgelopen zes jaar zeventien journalisten vermoord en alleen al vorig jaar zijn journalisten 326 keer bedreigd, mishandeld, verdwenen. Dat blijkt uit een recente rapportage van mensenrechtenorganisatie Artikel 19 – vernoemd naar het artikel in de Verklaring van de Rechten van de Mens dat de vrijheid van meningsuiting waarborgt.

Deze week reisde Marta Durán de Huerta naar Europa om hulp te vragen. Ik ontmoette haar in Amsterdam. Artikel 19 moest ik opzoeken, zo vanzelfsprekend zijn rust en vrijheid de uitgangspunten van míjn journalistieke bestaan.

Mexico is de grootste producent van heroïne en synthetische drugs in Zuid-Amerika. Er zijn dertig miljoen gebruikers in eigen land, de rest wordt uitgevoerd, vooral naar de „Vereinigte Gringo’s”, zoals Marta het buurland noemt. Ze weigert Engels te spreken.

Marta schrijft voor het geëngageerde tijdschrift Proceso, over de verdwijning van burgers, vrouwen vooral, de geruchtmakende verdwijning van 43 studenten in 2014 en over de moord op journalisten. Ze is onderzoeksjournalist, net zoals haar vader dat was. „Hij vertelde me vroeger al dat Mexico een democratie líjkt, maar in werkelijkheid de perfecte dictatuur is.” Hoezo perfect, vroeg ik. „Omdat de president in de ogen van het buitenland schone handen heeft, zei hij.”

Al 84 jaar leveren drie dezelfde regentenfamilies de Mexicaanse president. Nu is dat Enrique Peña Nieto. Volgens Marta en Artikel 19 komen inkomsten uit de drugsexport sinds de jaren 80 in de staatskas terecht. Naar buiten toe bestrijdt de regering de georganiseerde misdaad, maar binnenskamers zit de maffia aan tafel. Daarom weet ze niet door wie ze bedreigd is. Ze deed aangifte en kreeg zeven maanden later bericht dat haar zaak in onderzoek is genomen.

Gisteren ging ze naar Brussel waar ze leden van het Europees Parlement en mensenrechtenorganisaties ontmoette. In haar tas had ze een usb-stick met een artikel van 30 pagina’s. „Het product van mijn hele leven.”

Marietje Schaake, Europarlementariër van D66, beloofde te helpen door diplomaten als getuigen naar rechtszaken tegen journalisten te sturen. „En als de regering de mensenrechten niet respecteert, kunnen we het handelsverdrag opschorten.”

„Kun je ons helpen”, vroeg Marta ook aan Emma Achilli, directeur van Frontline Defenders, die mensenrechtenorganisaties in dictaturen bijstaat. „We beschermen niet álle journalisten”, antwoordde zij. „Alleen degenen die de mensenrechten verdedigen.” Aan Marta’s mondhoeken kon ik zien dat het antwoord haar niet beviel. „Ze hebben toch allemáál te maken met de vrijheid van meningsuiting?”, zei ze. Marta keek naar mij. „Zij geniet toch ook bescherming van artikel 19?” Achilli haalde haar schouders op. „Zo werken alle belangenorganisaties. Wie niet over mensenrechten schrijft, heeft ons niet nodig.”

Zo is het dus met de strijders voor de vrijheid van meningsuiting. Ze gaan de straat op voor Charlie Hebdo, omdat ze aan de kant van de tekenaars staan, maar geven niet thuis als de mening in kwestie hun niet bevalt.