Azië kijkt uit naar het Chinese geld...

Het kan de naar kapitaal hongerende Aziatische landen niet snel genoeg gaan, de oprichting van een soort Wereldbank door China. De landen die mee willen doen, overleggen dit weekeinde in Kazachstan.

Welkomst voor de Indonesische president Joko Widodo, gisteren in Beijing voor besprekingen over de Aziatische investeringsbank in oprichting, waarvoor Widodo zeven havenprojecten voordroeg. Foto Kim Kyung-Hoon/Reuters

In tien jaar 8.000 miljard dollar, 800 miljard dollar per jaar. Dat zijn de bedragen die nodig zijn om in groeiend Azië de honger naar elektriciteit, wegen, spoor, telecommunicatie, ziekenhuizen en havens te stillen.

Al jaren zoeken leiders van de opkomende Aziatische economieën naar nieuwe geldbronnen. Eigen middelen en besparingen schieten tekort, hulp van buiten en van bedrijven is dringende noodzaak.

Dus toen de Chinese president Xi Jinping anderhalf jaar geleden het plan voor een nieuw type Wereldbank lanceerde, was het enthousiasme ook onder veel landen in Azië groot. Vorige zomer herhaalde hij zijn steeds concretere ideeën voor een nieuw financieel, meer gelijkwaardig „partnerschap van opkomende economieën”, zoals hij de Aziatische Infrastructuur Investeringsbank (AIIB) omschrijft.

Xi Jinping had op dat moment al 22 handtekeningen van collega-staatshoofden en -regeringsleiders op zak. Tegelijkertijd kwamen de gesprekken over handvest en werkwijze van de ‘Chinese Wereldbank’ (Financial Times) op stoom. Sindsdien is het aantal positieve reacties gestegen tot 32. Ook de trouwste Aziatische bondgenoten van de VS, op Japan na, hebben de bezwaren tegen de Chinese dominantie opzijgeschoven: het risico van ondoorzichtige spelregels en de mogelijke schade voor het milieu.

Behoefte aan kapitaal

Xi Jinping wist uiteraard dat hij met zijn voorstel inspeelde op de jaren oude onvrede over de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), niet alleen over het gebrek aan zeggenschap, maar ook over de koers. Bovendien zijn deze instellingen, in 1944 opgericht in Bretton Woods (VS), tegenwoordig vooral gericht op de armste landen en dat zint de Aziatische tijgers evenmin. Investeringen van de Wereldbank en ook de Aziatische Ontwikkelingsbank in Oost-Azië zijn de afgelopen tien jaar alleen maar gedaald. De behoefte aan kapitaal voor investeringen in infrastructuur om de economie in de regio te versterken is ondertussen alleen maar gegroeid. Naarmate het Amerikaanse Congres volhardde in zijn verzet tegen hervormingen van de Wereldbank en het IMF, groeide de sympathie voor het Chinese initiatief.

Hoogstwaarschijnlijk zou de Aziatische investeringsbank-in-oprichting er sowieso zijn gekomen, want China wil zijn invloed in Azië vergroten, via economische hard power en diplomatieke soft power. In China heet dat „vrienden en buren helpen bij hun vreedzame ontwikkeling”. Geld speelt geen rol. China zoekt al jaren naar mogelijkheden om een deel van 3.300 miljard dollar aan buitenlandse deviezen op commerciële wijze aan te wenden. Het overgrote deel is geïnvesteerd in Amerikaans schatkistpapier. Pogingen om de deviezen door middel van risicodragende investeringen beter te laten renderen, hebben wisselend succes; echte kapitalisten zijn de communistische bankiers toch nog niet.

Weerstand verminderen

Tegelijkertijd wordt er naar wegen gezocht om de Chinese munt, de yuan, op een gecontroleerde wijze te internationaliseren. De AIIB vormt daarvoor een nieuw kanaal en zal de Chinese wens om van de yuan een wereldreservemunt te maken een paar stappen dichterbij brengen.

Een derde motief schuilt in de soms omstreden projecten van twee bestaande Chinese banken: de ontwikkelingsbank en de import/exportbank. Samen investeren zij meer in Afrika, Azië en Latijns-Amerika dan de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank, maar deze projecten roepen ook weerstand op bij de lokale bevolking en milieugroepen. Volgens de Amerikaanse milieuorganisatie International Rivers bouwen Chinese bedrijven nu aan 304 stuwdammen in 74 landen. Een nieuwe, professioneel geleide bank met veel Aziatische en westerse lidstaten zou, zo redeneren de Chinezen, de weerstand tegen dergelijk projecten kunnen verminderen.

En ten slotte gaat het China – uiteraard – om toekomstige orders voor Chinese bedrijven als de AIIB grote projecten gaat financieren, bijvoorbeeld havens in Indonesië, Pakistan en Sri Lanka en spoorlijnen van Oost-Azië via China naar Europa).

Chinese leiders en de media hameren erop dat de investeringsbank zal worden geleid volgens de hoogste standaarden op het gebied van good governance en milieu. Feit is dat door de deelname van met name Duitsland en het Verenigd Koninkrijk niet alleen China „de nieuwe regels van de snelst groeiende regio van de wereld” (Obama) gaat opstellen. Nu is daarover echter nog veel onduidelijkheid.

Ook is onduidelijk of China het aanbod tot samenwerking van het IMF, dat over veel expertise beschikt, zal accepteren. Misschien wel, want Xi Jinping overweegt ook de uitnodiging aan Japan te herhalen.

Aziatische regeringsleiders zien uit naar het moment dat de Chinese geldkoffers (nog verder) opengaan voor nieuwe vliegvelden, wegen, steden, elektriciteitscentrales en hogesnelheidslijnen. Grotere invloed van China nemen zij voor lief, want dat is toch al een alledaagse realiteit voor de leiders van de dertig ‘buurlanden’ van de Volksrepubliek die voortdurend bezig is „nieuwe omstandigheden” te creëren.