Afgedwongen openheid

Een moedig stuk van Alma Mathijsen, vorige week in deze krant. Ze schreef over het seksueel geweld dat ze meemaakte (‘geweld’ is toepasselijker dan het veelgebruikte ‘misbruik’, omdat misbruik op een ‘fout gebruik’ duidt en er dus ook zoiets als goed seksueel gebruik bestaat, wat indruist tegen het ideaal dat ieder mens een doel op zich is en nooit als middel tot een doel fungeert).

Een zomeravond, zestien was ze, de dader wist niet dat hij dader was. Haar zachte ‘nee’ werd niet gehoord. Voor sommigen is passiviteit de vrouwelijke vorm van consensus.

Mathijsen schrijft: ‘We moeten het meer over seks hebben, en wat lekkere seks is voor beide partijen, in plaats van te waarschuwen voor enge mannen in bosjes. Praten lijkt de oplossing.’

Ik ben het met haar eens, maar er knaagt ook iets. Misschien omdat het af en toe voelt alsof we ons toch al collectief suf lullen. Ik vrees voor afgedwongen openheid: dat iets pas bestaat wanneer het wordt benoemd en blootgelegd.

Mensen maken van alles mee en gaan daar verschillend mee om. Ieder mens ontwikkelt onzichtbare gevoeligheden. Daar worden algemene voorzorgmaatregelen tegen genomen, zoals de kijkwijzer bij films.

Die zogenoemde ‘trigger warnings’ worden alleen ingezet wanneer er consensus is over de mogelijke impact, bijvoorbeeld omdat we extreme geweldscènes niet goed vinden voor hersens jonger dan twaalf. Voor meer persoonlijke gevoeligheden kan geen systematische bescherming worden geboden.

We begeven ons daarom op glad ijs wanneer we met onbekenden communiceren. En soms is glad ijs goed. Het ongewisse oefent anticiperende sensibiliteit: het vermogen om ieder mens als nieuw, uniek en eigen tegemoet te treden.

In New York speelde ik rugby met een vrouw die op het veld weleens nors wilde reageren. Je wist nooit wanneer, maar je hield er vanzelfsprekend rekening mee en nam het niet persoonlijk op.

Een keer, onderweg naar een wedstrijd, stond ik met haar in de rij voor het toilet van een benzinestation. Achter ons knapte de ballon van een spelend kind. Mijn teamgenootje dook naar de grond en vouwde haar armen over haar hoofd.

Terug in de teambus verklaarde ze dat ze als militair in Irak het ‘een en ander’ had meegemaakt. Ik weet niet of ze me dit als slachtoffer of als dader vertelde. Ik dacht aan die vieze toiletvloer en wist dat het diep zat.

Het hielp wel om te weten wat er was gebeurd, maar het moet niet zo zijn dat openheid de ontvankelijkheid voor het onbekende uitvlakt, omdat we er vanuit gaan dat al het belangrijke, al het bepalende, op tafel ligt. Openheid mag altijd een middel zijn om tot begrip te komen, maar openheid mag nooit een doel an sich zijn.

Mathijsen maakt het grijze gebied zichtbaar. Terecht. We moeten alleen niet denken dat we ooit alle tinten kennen.