Vreugdevuur van vrijheid en eigenzinnigheid

Met ‘De oase van Matisse’ laat het Stedelijk Museum zien dat je ook zonder meesterwerken een briljante tentoonstelling kunt maken. Met de eigen collectie als decor kan Matisse schitteren.

Henri Matisse, Souvenir d’Oceanie, 1952-1953. Gouache op papier, geknipt en geplakt, en houtskool op papier op canvas, 284,4 x 286,4 cm. Foto moma

Door de zinderende kleuren, de speelse vormen en de lonkende patronen waar De oase van Matisse in het Stedelijk Museum vol mee zit, duurt het even voor je doorhebt dat die titel een dubbelzinnigheid bevat. Dat komt zo. Wie de expositie betreedt, beseft al snel dat er hier twee hoofdpersonen zijn: de ene is Henri Matisse, de ander het Stedelijk zelf. Of preciezer: het geheel draait allemaal om de kunstenaar Matisse en de kunstgeschiedenis van ongeveer 1895 tot 1955, waarbij dat tijdvak voor een groot deel wordt vertegenwoordigd door werken uit de Stedelijk-collectie.

Dat zet je als toeschouwer op het verkeerde been: in de eerste drie zalen van De oase van Matisse bijvoorbeeld staan en hangen in totaal 36 werken en daarvan zijn er 11 van Matisse – pardon? Probeert het Stedelijk ons een veredelde collectiepresentatie als Matisse-tentoonstelling te verkopen? Is dit nu de blockbuster waaraan het museum al zoveel jaren werkte en dat het met veel aplomb aankondigde?

Maar dan dringt de strekking van de titel tot je door: die oase. Natuurlijk verwijst het Stedelijk daarmee naar de ‘tuin’ van grote, kleurige zelfgeknipte bladeren en parkieten en sirenes waartussen Matisse zich aan het einde van zijn leven terugtrok. Maar die oase bestaat ook uit al die Stedelijk-kunst waartussen Matisse’ werk hier onderdak vindt – prachtige werken, allemaal. De schilderijen van Matisse schuilen nu tussen Courbet, Manet en Breitner, hij trekt zich op aan Picasso, Malevitsj en Jawlensky om uiteindelijk, met zijn grote late knipsels over de doeken van Ellsworth Kelly, Rothko en Newman heen te toeteren met de speelsheid en impact van een reuzenkind dat zijn eigen krachten niet kent. In die onverwachte maar rijke bedding, soms educatief, soms speels, soms weerbarstig, waaraan de rijkdom van Matisse’ oeuvre wordt afgemeten, ligt de kracht van de tentoonstelling. Misschien zelfs wel de rechtvaardiging.

Want hoe vreemd het ook klinkt: enige scepsis bestond er tevoren wel over dit project. Eigenlijk had het Stedelijk gewoon pech: net voor De oase vonden er al twee grote Matisse-exposities plaats in Tate Modern in Londen en in het MoMA in New York, die zich vooral richtten op de late knipsels van Matisse. Dat was ook al een gok, want die knipsels worden weliswaar gezien als goed en bijzonder, maar ook als nogal grof en voortgekomen uit bejaarde onmacht en niet geschilderd, zodat de klassieke schilderromantiek ontbreekt en je ook niet die eeuwige Matisse-Picasso-strijd kunt uitmelken. En zouden mensen wel afkomen op een Matisse-expositie waar noch De rode kamer, noch De rode studio, noch De dans, noch het Bonheur de Vivre hing? De gok pakte echter goed uit: de knipsels bleken bij elkaar zo dynamisch en krachtig en gul dat iedereen die de exposities zag De rode kamer en Picasso en alles eromheen vergat. Dit was een briljant oeuvre binnen een oeuvre – opnieuw werd bewezen dat Matisse een van de geniaalste kunstenaars is van de twintigste eeuw en daar waren niet eens zijn meesterwerken voor nodig.

Knipseltentoonstelling

Misschien gaf dat laatste idee voor het Stedelijk wel de doorslag: Matisse is zo goed dat je zonder de meesterwerken toch gemakkelijk een geweldige tentoonstelling kunt maken. Maar dan moet er wel een goed idee achter zitten. En dat bleek extra nodig omdat het Stedelijk weliswaar goed met MoMA en Tate samenwerkte, maar ook al snel duidelijk werd dat het museum niet alle werken uit de knipseltentoonstelling kon krijgen, en dat daar ook geen Rode kamer-achtigen voor in de plaats zouden komen.

De oplossing waarvoor het Stedelijk nu heeft gekozen is eigenlijk heel eenvoudig: ze hebben het rijke oeuvre van Matisse, zijn ontwikkeling en zijn interesses en de collectie van het Stedelijk als kunsthistorische puzzelstukken in elkaar geschoven en dat aangevuld met mooie, vaak veelzeggende bruiklenen. Daardoor volg je de ontwikkeling van Matisse summierder dan in ‘normale’ oeuvre-exposities, echte meesterschilderijen ontbreken ook (al komt Stilleven met mand met sinaasappels uit 1912 heel dichtbij). Maar in plaats daarvan wordt op De oase heel mooi zichtbaar hoe Matisse zich verhield tot de razendsnelle ontwikkelingen in de kunst van de eerste helft van de twintigste eeuw en tot zijn tijdgenoten. Daarvoor haalt het Stedelijke wel een truc uit die hier en daar ongetwijfeld tot gefronste wenkbrauwen zal leiden: de werken hangen, zeker in de eerste zalen, heel nadrukkelijk op onderwerp en compositie bij elkaar. Neem zaal twee. Daar pronken drie bloemstillevens naast elkaar: Matisse’ Papegaaientulpen (1905), Odilon Redons Femme dans les fleurs en een opvallend goed passende Alexej von Jawlensky (Stilleven met tulpen, blauwe kruik, gele kan). De overeenkomsten tussen de doeken zijn zo overduidelijk dat je begrijpt dat hier heel actief naar moet zijn gezocht, juist omdat deze doeken bij elkaar zo mooi aanzetten tot vergelijken, beter kijken.

En zo gaat het verder: even verderop hangen drie schilderijen met op alle drie een blok huizen met een straat of uitzicht ervoor (van Jongkind, Matisse en De Vlaminck) en ook nog een reeksje koppen (een vroege, tikje onbeholpen Matisse tussen Malevitsj, Van Dongen en Rouault). Natuurlijk, het is verleidelijk zo’n manier van hangen af te doen als educatief getut, maar het plezier van het verscherpte kijken en het feit dat Matisse tussen al deze grote tijdgenoten alleen maar ‘eigener’ lijkt te worden, maakt het geheel aanstekelijk – ook al omdat het plezier van de samenstellers zo duidelijk is.

Neem Matisse’ poging een geabstraheerd uitzicht te schilderen: daar was hij niet heel goed in, maar het resultaat is toch bijzonder in zijn gretige, zoekende onbeholpenheid. Dat gevoel wordt vervolgens versterkt doordat het werk tussen vier Mondriaans hangt: die worden daar bepaald niet minder van, je ziet vooral hoe strak, calvinistisch en opvallend subtiel hij was. Of neem het zaaltje hardcore abstractie even verderop. Daar is Matisse bijna afwezig: hij hield zeker van abstractie, maar dan bijna altijd functioneel, in ontwerpen voor gewaden of boeken – en dus staat er van hem alleen het ‘kostuum voor een rouwklager’ dat hij ontwierp met kleine subtiele zwarte driehoekjes erop.

Odalisken

Merkwaardig hoogtepunt van deze manier van exposeren is wat mij betreft het zaaltje met ‘Odalisken’: liggende, vaak verleidelijke, meestal naakte vrouwen. Daar hangen twee heel mooie van Matisse bij, maar het zaaltje is een feest doordat ze zijn gecombineerd met een tamelijk idiote Charles Dufresne en vooral doordat het Stedelijk het heeft aangedurfd Jean Brusselmans’ Dame op canapé (1937) ertussen te hangen: zelden lag een vrouw op een bank zo aangekleed te wezen als zij. Het maakt de andere Odalisken alleen maar naakter, op het pijnlijke af – zo hang je kunst als je lol hebt in je werk.

En net als je een beetje uitgeput begint te raken van al dat kunsthistorische geweld op de benedenverdieping (let nog even op de geweldige combinatie van Matisse-knipsels met kleurige ruwe collages van Constant, bijna vijftig jaar zijn jongere), ga je de trap op, naar de voormalige erezaal. Daar valt de definitieve klap: deze zaal met Matisse-collages en drukken is een van de mooiste die het Stedelijk ooit moet hebben gehad. Hoogtepunt is het ‘eigen’ La perruche et la sirène, dat nu wordt omgeven door drie collages die ooit ook al zo gezamenlijk op het atelier van Matisse hingen. Bovendien hangt ook nog het fantastische Acanthussen van de Fondation Beyeler erbij en vier voorstudies voor Oceanische wandtapijten.

Collages

Daarna volgen nog prachtige ontwerpen voor kerkelijke gewaden, het hele Jazz (het klassieke Matisse-boek waarin zijn collages dansen) en nog twee superieure grote collages: De slak en Souvenir d’Oceanie. Het is alsof we met Matisse de geschiedenis van de kunst van zijn tijd zijn langsgelopen, hem hebben zien zoeken naar zijn vorm, hebben zien loskomen van zijn tijd, hem steeds groter en breder en virtuozer hebben zien worden, om dan, aan het einde van zijn leven uit te barsten in een vreugdevuur van vrijheid en eigenzinnigheid – en die vrijheid ervaar je precies ook als toeschouwer.

Zo slaat het Stedelijk met De oase van Matisse twee vliegen in één klap: het toont wat een rijke en krachtige en inspirerende kunstenaar Matisse wel niet was en laat in één moeite door zien wat er allemaal mogelijk is met de eigen geweldige, rijke collectie. En, ook niet onbelangrijk: op deze tentoonstelling toont het Stedelijk eindelijk weer het plezier dat zo lang heeft ontbroken, het lef, de rijkdom – het besef dat het (bijna) alles in huis heeft om een genie als Matisse op te stuwen in de kunsthistorische vaart der volkeren. Dat geeft het museum ongetwijfeld hernieuwde kracht. De oase van Matisse is een triomf.