‘Topinstelling moet mentor zijn’

Amsterdamse kunstwethouder wil politiek op grotere afstand.

Kajsa Ollongren Foto ROBIN UTRECHT

De verleiding is altijd groot bij politici. Hoewel ze zeggen alleen het kunstbeleid op hoofdlijnen te willen bepalen, zijn ze bij subsidietoekenningen en -afwijzingen toch altijd gevoelig voor lobbyende instellingen die zich tekortgedaan voelen. Amsterdam wil daarvan af en wil de politiek op grotere afstand plaatsen van culturele instellingen. Het coalitieakkoord stelde dat vorig jaar al vast, vandaag stuurt cultuurwethouder Kajsa Ollongren (D66) de Contouren voor het Kunstenplan 2017-2020 naar de gemeenteraad.

„We moeten af van discussies om twee voor twaalf in de gemeenteraad of er toch niet een paar duizend euro naar die ene instelling moet om die overeind te houden, terwijl er bij een ander dan weer de kaasschaaf overheen moet. Die redding blijkt dan vaak toch niet te lukken”, zegt ze.

Terwijl op een televisiescherm achter Ollongren beelden van de ontruimingsactie van kraakpanden in de Spuistraat zichtbaar zijn – ze was gisteren als locoburgemeester verantwoordelijk – vertelt ze dat ze het afgelopen jaar veel heeft gesproken met theaters, musea, gezelschappen, orkesten en andere instellingen in de stad. „Het systeem kan eenvoudiger.”

In de Contouren stelt ze daarom voor om, in navolging van de rijksoverheid, een basisinfrastructuur van essentiële kunstinstellingen te vormen en alle andere instellingen subsidie aan te laten vragen bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst. Die beslist, de gemeenteraad heeft daar geen invloed meer op. „Het moet geen nieuwe bureaucratie worden. Het Fonds moet ook niet te veel eisen gaan stellen aan de instellingen.”

In november, als de hoofdlijnen worden vastgesteld, weten die ‘meest essentiële’ instellingen al, zonder ingewikkelde subsidieaanvraag, of ze in die basisinfrastructuur zitten. Dat topinstellingen als het Concertgebouw, Nationale Opera & Ballet, de Stadsschouwburg , Toneelgroep Amsterdam of het Stedelijk daarin komen, is helder. Maar de grenzen staan nog niet vast. Voor gezelschappen, ensembles of theaters als Orkater, ASKO|Schönberg of de Kleine Komedie blijft het afwachten. Ollongren laat zich niet verleiden tot speculaties.

Een plek in de basisinfrastructuur zorgt voor extra verantwoordelijkheden. „Meer samenwerking is nu ook al een doel, maar het is mondjesmaat op gang gekomen”, constateert Ollongren. „Iedereen was na de bezuinigingen druk met overleven of aanpassen. Het was even ieder voor zich. Maar er is nog te veel versnippering.”

Topinstellingen in de basisinfrastructuur moeten zich als mentor of coach ontfermen over kleinere instellingen. „Dat kan door samenwerking met soortgelijke instellingen door samenvoeging van kantoorwerkzaamheden of samen producties te doen. Maar het kan ook met cross-overs naar andere disciplines of buiten de cultuursector. Of door meer te doen aan talentontwikkeling.” Hier zit voor haar de crux. „Als instellingen hun kansen op een plek in de basisinfrastructuur willen vergroten, moeten ze nu al meer samenwerking laten zien.”

In het huidige kunstenplan ontvangen 141 instellingen in totaal 83 miljoen euro aan subsidies. Daar komt vanaf 2017 7,6 miljoen euro bij, waarmee zoals in het coalitieakkoord afgesproken de bezuinigingen van de vorige periode worden teruggedraaid. In het huidige systeem breng de Amsterdamse Kunstraad advies uit over subsidiëring aan culturele instellingen en beslist daarna de gemeenteraad over de toekenning. De Kunstraad zal die taak verliezen. „Het is nu soms heel bureaucratisch. Ik wil heel graag de regeldruk verminderen.”

Met haar voorstellen wil Ollongren ook inspelen op discussies in Den Haag dat de regie over het cultuurbeleid meer van het Rijk naar de steden moet gaan. „Ik weet dat de Raad voor Cultuur erover nadenkt en dat de minister daar dan ook iets van moet vinden. Dat wil ik voor Amsterdam, de culturele hoofdstad, heel graag.”