Ook de interim ombudsman benutte gelukkig zijn mandaat

De prik leek er een beetje af, van de Nationale ombudsman, nu het ambt 15 maanden ad interim moest worden vervuld. Waarnemend ombudsman Frank van Dooren wilde als ‘tussenpaus’, gisteren in zijn laatste jaarverslag, ook geen persoonlijke visie geven op de verhouding tussen burger en overheid. Hij liet het bij de ervaringen van zijn instituut – en die spraken overigens voor zichzelf.

Maar hij gaf er wel één venijnig samenvattend zinnetje bij. Vijftien maanden ombudsman overziende constateert hij dat goedwillende burgers slachtoffer werden van „politieke flinkheid en drang naar efficiency”. Die vaststelling ligt overigens exact in het verlengde van wat zijn voorganger Brenninkmeijer in zijn laatste ambtsjaren consequent naar voren bracht. Nu weegt iedere ombudsman, hoe waarnemend ook, zijn woorden op een goudschaaltje. Het ambt is de afgelopen jaren kwetsbaar gebleken. De Tweede Kamer, maar ook het kabinet, reageren snel gekwetst en kunnen kribbig uithalen. De Nationale ombudsman werd consequent met minder respect behandeld dan die andere Hoge Colleges van Staat, Rekenkamer, Raad van State en Staten Generaal.

De beschuldiging ‘politieke flinkheid’ is dan een stevige uitzwaaier, in de traditie van een instituut dat er geen doekjes om windt. Van de Nationale ombudsman wordt eerlijkheid en scherpte verwacht. Ook de waarnemer toonde die – en dat wordt op prijs gesteld.

De ombudsman hekelde in zijn jaarverslag een aantal recente overheidsmaatregelen die uit een bureaucratische, pre-rechtstatelijke IJstijd lijken te stammen. De burger wordt er principieel in bejegend als huidige of toekomstige fraudeur. Iemand die in beginsel te kwader trouw is en alleen met draconische en strikt eenzijdige sancties in het gareel kan worden gehouden. Een wereld waarin de verhoudingen zoek zijn, de wetgever op hol is geslagen, de incassocomputers niet tot staan kunnen worden gebracht en de uitvoeringsinstanties kennelijk murw of bang zijn voor hun eigen lot.

Van Dooren merkt op dat door hem bekritiseerde wetten hier en daar wel degelijk maatwerk mogelijk maakten. Maar dat de instanties daar dan weer geen gebruik van maakten. Zelfs als de wetgever op zijn aandrang bijvoorbeeld het verbod op afbetalingsregelingen ophief, bleek het vaak nóg niet mogelijk om de burger daarvan te laten profiteren. Van Dooren constateert mismoedig dat hij dan alsnog een betalingsregeling ‘moest bereiken’ voor een burger.

Van Dooren toont zich intussen „voorzichtig optimistisch” over het politieke klimaat nu; hopelijk keert de nuance erin terug, zegt hij. Dat zal zijn opvolger Reinier van Zutphen, die binnenkort wordt geïnstalleerd, gaan ervaren. Hier heerst vooralsnog scepsis.