Licht is een haremmeisje

In 1912 reisde Henri Matisse naar Marokko en schilderde er onder meer ‘La Fenêtre à Tanger’. Dat schilderij sierde de kaft van ‘Bruiloft aan Zee’, het debuut van Abdelkader Benali. In Tanger gaat de schrijver op zoek naar dat uitzicht.

Henri Matisse, La Fenêtre à Tanger, 1912. Olieverf op doek, 115 x 80 cm Foto Collectie Pushkin Museum

Amsterdam september 1996

„Wie?” „Henri. Matisse.” Mijn eerste uitgever, Oscar van Gelderen, spreekt de naam nogmaals uit, deze keer wat minder terloops als hij ziet dat de naam mij niets zegt. „Franse schilder. In Marokko geweest. Tanger. Anglicaanse kerk. Dit schilderij zal het omslag van je boek sieren.”

Mijn boek is mijn debuutroman, Bruiloft aan zee. Piepjong is de aankomende auteur. Romans schrijven is steeplechase lopen, met om de paar honderd vlakke meters plotseling een lastige hobbel. Ik kan het. Achttien jaar oud, en dan al gesierd met ene Henri Matisse. Bij thuiskomst in de plaatselijke bibliotheek maar even naam en rugnummer opzoeken, neem ik me voor. Kennis achteraf is ook macht.

Giotto, Rembrandt, Monet, Picasso: die ken ik wel. Daar kun je me voor wakker maken. Van deze Fransman die met een paar ogenschijnlijk onschuldige penseelstreken een kerk in een islamitisch land neerzet heb ik nog nooit gehoord. Alleen het blauw herken ik onmiddellijk als Marokkaans. Dat Marokkaanse blauw, dat eenmaal in de ogen gespetterd nooit meer helemaal wegdrijft. Blauw van de wolken waarin de zee zijn vocht heeft geroerd; blauw waar jasmijn omheen kringelt.

En die kerk gaat dus mijn omslag sieren? Halleluja! Er komt in mijn hele boek geen kerk voor. Ook geen Franse schilder. Maar daar gaat het niet om; het gaat om de sfeer. Het blauw van Matisse past goed bij het blauw van de roman, want de vertelling vindt plaats onder het blauwe gesternte van de Middellandse Zee. Vooruit dan maar. Wat weet ik immers eigenlijk van de wereld? Alles en niets.

Tijdens de treinreis terug naar Rotterdam probeer ik dat blauw van Tanger voor me te zien. Misschien kan ik die stad een keer bezoeken? Na dit debuut kan alles.

Rotterdam september 1996

Een korte duik in de boeken leert me dat Matisse het niet bij één Marokkaans werk liet. De eerste beelden stellen licht teleur. Is dit alles? is het gevoel dat me bekruipt. Het lijkt een soort van versieringskunst, waarin ogenschijnlijk naïeve voorstellingen in een kinderlijke opstelling zijn geplaatst. En dan al die kleuren! Wat een rare Frans. Ik formuleer bijna dezelfde verontwaardiging die het klootjesvolk en artistieke betweters destijds, begin twintigste eeuw, voelden bij het zien van zijn werk. Raar, vonden ze het. Monstrueus. Afzichtelijk. Kinderlijk. Wat moeten we ermee?

Toch landen door het filter van het vooroordeel heen de beelden in mij. Later zal Matisse zijn werk vergelijken met Russische iconen. Alles komt samen in het icoon. Het gloeit, brandt, verbindt, straalt en is doordrenkt met heiligheid. Het raakt je bijna aan. Zo wilde Matisse ook schilderen. Eenvoudige taferelen van zittende Marokkanen in een café stralen iets onwerkelijks uit. De magie ervan is verblindend. De luie mannen lichtjes aangeschoten door de hasjpijp zweven tussen bewustzijn en slaap in. Zij zuigen ons naar binnen. Net als in een icoon. Matisse laat me kijken naar iconen.

Wat ik wil weten is waarom deze noorderling naar Marokko ging. Kunnen we elkaar ergens een hand geven? Vrienden worden? Matisse heeft van mij de gunfactor. Hij heeft Marokko bezocht, hij heeft het blauw van Tanger gevangen. Er moet in dat werk meer aan de hand zijn. Achter de illustratie ligt een opvatting. Aan mij om uit te zoeken wat die is.

Het ‘Marokkaanse licht’, dat hij in navolging van zijn voorganger Delacroix zocht, zou zijn leven lang in hem branden, ook toen Marokko allang achter hem lag. De odalisken, de wulpse, halfnaakte meisjes en vrouwen die met hun volvette heupen zachte liefdesheuvels worden waar de tijd aanminnig op rust, verwijzen regelrecht naar de haremmeisjes die hij in zijn tweede reis aan Tanger veelvuldig bezocht.

Is de schilder niet een herverdeler van licht? Licht dat dan weer zachtjes uitgestreken wordt, dan weer hard en fel. Neemt hij ons niet mee in een lichtspel tussen alles wat tussen de zonsopgang en zonsondergang van ons bestaan plaatsvindt? Eenmaal aangeraakt door dat licht raakt het nooit meer gedoofd. Voor het eerst bevalt me wat ik zie van de drang van westerse schilders om de ‘Marokkaanse’ essentie tot uitdrukking te brengen. Matisse klaart de klus door wat hij niet laat zien. Er is veel weggelaten en wat is overgebleven schijnt me tegemoet. Licht is een haremmeisje.

Parijs 1999

In Parijs bezoek ik de grote tentoonstelling Le Maroc de Matisse. In het museum zie ik de zittende Zohra. De aanblik van haar serene, rustige zitten is waarvoor ik ben gekomen. Zohra die me aankijkt en niet aankijkt, een beetje zoals te verwachten was.

In dat beeld van Zohra die voor Matisse is gaan poseren voel ik de ongedurigheid van het meisje. Haar schaamte. Ze zou hier niet moeten zijn. Je laten afbeelden is immers haram, onrein. Haar broer zal haar straffen voor het zich openstellen voor deze westerse man. Hoe langer hij naar haar kijkt, hoe naakter ze zich voelt. Kijken is niet onschuldig; elke blik maakt schuldig. Natuurlijk poseert ze voor deze baardige westerling omdat ze er ook een bedrag voor toucheert, nadat de man die dit bezoek heeft geregeld er zijn commissie vanaf heeft gehaald, toch kan ze haar schaamte niet verbergen. En Matisse? Hij schetst en tekent.

Oriëntaalse beelden van Marokko zijn er meer dan genoeg, tot vervelens toe zijn er die clichés van puntmutsen, boernoesen, slippers, grote neuzen, dikke wenkbrauwen die dikker en dikker worden naarmate de erotiek toeneemt, smalle tailles, blootliggende navels waar behendig mee wordt gespeeld, zie die slanke vingers rond de heupen bewegen, de blik van de voyeur wulps bespelend, en dan zijn er de ezeltjes en de watermannen in koddige rode kleding, de door waanzin en Allah gedreven blazers van de mystieke broederschappen, dat keer op keer benadrukken van het fanatieke. En als kers op de oriëntaalse taart is er altijd wel een balkende ezel, een verdwaalde waterdrager of een gillende moskee te vinden. De wereld van de rede, maat en verhouding, ingekeerdheid en verstilling, de zuivere kleuren en nog zuiverder licht, een minimalisme dat ik in mijn reizen heb ontwaard – dat alles is in die Efteling van exotische aanstellerij ver te zoeken. Keer op keer wordt de relatie tussen de loensende voyeur en het sensuele, zinnelijke voorwerp verstevigd. De Oriënt is een bordeel waar de westerse bezoeker als hij eenmaal verzadigd is losjes in de heupen naar buiten stapt.

Dan komt Matisse – die later de bordelen van Tanger zal bezoeken. Hij gaat er eens goed voor zitten en doet alsof de geschiedenis niet bestaat; alsof Marokko niet bestaat, en Frankrijk ook niet. Hij schildert enkel en alleen wat zijn oog ziet, verlost van historische bagage en oriëntalistische franje.

Matisse moest Marokko twee keer bezoeken voordat zijn blik gewend was geraakt aan het verblindende licht dat hem door Delacroix in zijn notitieboeken in het vooruitzicht was gesteld. De eerste keer zat hij daar maar tandenknarsend in zijn hotelkamer het goede weer af te wachten, de tweede keer hielden de natuur en de mensen niet op hem visuele geschenken te geven.

Op de tentoonstelling van Matisse zag ik de Riffijnse man die de wereld van de bergen met zich mee lijkt te dragen. In de stad heeft hij niets te zoeken; hij komt er om te kopen en te verkopen. Geld heeft hij niet nodig in de bergen, hij heeft het nodig om zijn relatie met de stad te bestendigen. De stad krijgt geen vat op hem; hij gaat met opgeheven hoofd naar binnen, hij trekt met opgeheven hoofd terug de bergen in. Pas bij thuiskomst voelt hij zich bevrijd en veilig. Tot die tijd is hij op zijn hoede. Overal dreigt gevaar. De natuur is niet zijn vriend; de natuur is een metgezel.

Hoe langer ik naar de afbeelding kijk, hoe meer zin ik krijg om mijn hoofd tegen het hoofd van deze Riffijn te drukken. Te voelen of het verf, bot of steen is. Om hem te vertellen dat we gelijk aan elkaar zijn.

Tanger 29 januari 1912

De dag dat Matisse en zijn vrouw Amélie hun intrek nemen in het luxueuze Grand Hôtel Villa de France is het bar slecht weer. En voor bar slecht weer is Henri Matisse niet naar Marokko gekomen. Kamer 38 op de tweede etage is van alle gemakken voorzien, zelfs een telefoon uit bakeliet gehouwen staat te pronken, die de kijker aanlokt om vooral te bellen – contact te maken met de overkant. Een overkant die ze voorlopig niet kunnen zien. „Bij heel goed weer zien we Portugal”, had de kapitein op de boot het beroemde gezelschap nog wel gezegd.

De directeur van het hotel weet dat hij voornaam gezelschap op bezoek heeft; daarom heeft hij deze kamer laten inrichten en een koerier gestuurd om irissen te kopen die de kamer kunnen veraangenamen. Monsieur Matisse houdt immers van bloemen. Die zijn zijn specialiteit.

In vier, vijf driftige stappen is de directeur bij het raam, hij laat de piccolo het raam openen, daarna de vensters, waarna het uitzicht binnenstroomt.

Vanuit hun raam kunnen ze kijken over de oude stad, waar het Petit Socco in verborgen ligt, en daar voorbij licht de u-vorm van het Malabata-strand op. Een brede strook zand die vandaag nauwelijks te zien is, wat Matisse vreemd vindt; toen ze met de boot naderden was het heel goed te zien.

„Bij goed weer ziet u Spanje”, informeert de gastheer hem, „alleen is het helaas slecht weer vandaag. Dat komt door de levante, die wind vangt de zon, schudt haar doormidden en laat de wolken neerdalen. Maar laat ik niet kwaadspreken over deze wind; zo onstuimig als die komt, zo kan-ie ook plotsklaps weer verdwenen zijn. Wat de levante achterlaat is een heerlijke weldaad, u zult het zien. Voelen. Ruiken.” Aan het optimisme in zijn gezicht te zien moeten ze maar van hem aannemen dat het goed komt.

De hun toegewezen piccolo komt met de laatste lading koffers binnen. De meester gaat nergens heen zonder zijn schildersezel, zijn verf en doeken. Henri voelt dat zijn vrouw zich geen raad weet met het slechte weer. De regen en wolken ontnemen haar het uitzicht op wat de stad aan moois te bieden heeft. Ze hoeft hem niet te vertellen hoe ze zich voelt, hij kan het wel raden. Was dit de moeite waard om Parijs voor te verlaten? Als er niet snel iets beters voor in de plaats komt, zal ze wegkwijnen.

Tanger april 2014

Met mijn vrouw Saida bezoek ik Tanger om ons nieuwe appartement te bekijken. Het is van ons. Nu gaan we ons echt installeren.

Vroeg op de avond lopen we richting het Grand Socco tijdens een uitvoerige verkenning van onze nieuwe buurt. Stomerijen, antiekzaken, koperslagers, houtbewerkers, vrouwen uit de bergen die hun verse kaas verkopen. We wanen ons in een microkosmos die naarmate de dag duurt steeds verder gevuld raakt. Het licht van de schemer duwt de mensen de straat op, alsof ze een opdracht hebben om hun taak als wandelaar, flaneur, verkoper, koper, lastpak, sjacheraar en beambte te vervullen.

„Laten we naar de oude McDonald’s lopen”, zegt mijn vrouw, „want dat was in mijn jeugd in deze stad ons referentiepunt.”

De oude McDonald’s? Is er dan een nieuwe McDonald’s? Ja, die is er, maar voor generaties vakantiegangers uit Europa blijft deze McDonald’s aan een aftandse parkeerplaats het referentiepunt. De plek waar de vakantie begon en eindigde. Ik zocht Matisse, anderen zochten de McDonald’s. Prima, ik begin trouwens ook aardig trek te krijgen. En dan staan we voor Grand Hôtel Villa de France, dat in al zijn grandeur smetteloos voor ons oplicht. „Dit is het hotel van Henri Matisse”, zeg ik. Het is op een steenworp afstand van ons appartement. We lopen meteen naar binnen om poolshoogte te nemen over de nieuwe staat.

„Het was jarenlang gesloten. De laatste foto’s die ik ervan zag lieten een bouwval zien”, vertel ik. „Het hotel is voor een groot deel teruggebracht in de originele staat en voor een deel gemoderniseerd. Het eindresultaat is een compromis.”

„Het hotel is net open”, zegt de jongen van de receptie.

„Mogen we de kamer van Matisse zien?”

„Natuurlijk.”

De piccolo wordt geroepen, hij loopt in zo’n ouderwets pakje rond. De laatste keer dat ik zo iemand zag rondlopen was in de film The Grand Budapest Hotel van Anderson. Op weg naar de lift passeren we bistro Delacroix. Natuurlijk: honderdtachtig jaar na zijn bezoek heeft Tanger de commerciële waarde van deze romantische punker ontdekt. Op de juiste temperatuur gebakken, dit hotel voor de reizigers van TripAdvisor. „We aten in Delacroix; we sliepen in Matisse en overdag aaiden we een slangenbezweerder.”

De zware sleutel gaat in het slot van de deur waar nummer 35 op staat, wat ik niet snap omdat me bijstaat dat het om kamer 38 gaat. Marokkaanse numerologie. Met een licht zuchtje staan we in de kamer van Matisse, die met alle toeters en bellen die erbij horen – replica’s van zijn schilderijen hier geschilderd – weer in de originele staat is teruggebracht. We gooien het raam open om uitzicht te krijgen op de anglicaanse kerk, die daar achter de populieren en dadelbomen half verborgen gaat in de nacht. Roomwitte Mercedes-taxi’s denderen de steile straat op en af. De kerk is heel goed te zien.