In de ban van de kunstwereld

Vier jaar na het uiteengaan van haar band Sonic Youth schreef Kim Gordon haar memoires, onder de naam Girl In A Band. Ondanks de titel – een sneer naar journalisten die steeds vroegen hoe het is om als vrouw in een rockband te spelen – werd het boek van de als kunstenaar opgeleide Gordon in de eerste plaats een liefdesbetoon aan de New Yorkse kunstscene van begin jaren tachtig.

Het had een heel ander boek kunnen worden. De invloedrijke noiseband Sonic Youth ging na dertig jaar uit elkaar doordat Gordons huwelijk met medevoorman Thurston Moore misliep. De reden omschrijft ze kort als: ‘Another woman, a double life’. Haar beschrijving van die periode is indrukwekkend, met een nauwkeurige dosering van wrok en verzoening.

Vanuit het ‘saaie’ Californië, waar ze was opgegroeid, verhuist Gordon rond 1980 naar New York en maakt haar entree in de kunstscene van Soho. Ze logeert bij (fotografe) Cindy Sherman, werkt bij kunsthandelaar Larry Gagosian, en exposeert met de latere ster Jeff Koons. Eerst maakt ze muziek als ‘conceptueel’ kunstwerk, maar als ze gitarist Thurston Moore ontmoet, richten ze samen Sonic Youth op.

Gordon houdt de vaart erin door de carrière van haar band niet in zijn geheel te beschrijven. In plaats daarvan selecteert ze een aantal belangrijke lp’s en hun thema’s als pars pro toto – zoals haar positie als vrouw („Ik denk nooit aan ‘vrouwelijkheid’, behalve als ik hoge hakken draag, en dan voel ik me eerder een travestiet”), of de teksten van Bad Moon Rising (1985), toen veel collega’s zich kwaad maakten over Ronald Reagan: „Daar was ik niet in geïnteresseerd, ik zong liever over de duistere krachten onder het oppervlak van de Amerikaanse popcultuur.”

Op ontspannen manier beschrijft Gordon haar leven en de mensen die ze tegenkomt. Over sommigen is ze hard, zoals ‘psychopaat’ Courtney Love, ‘huilbaby’ Billy Corgan (zanger van Smashing Pumpkins), en ex-echtgenoot Moore, die ze ‘berekenend’ noemt. Ze vertelt over de invloed van haar oudere broer Keller, die uiteindelijk gediagnosticeerd werd als schizofreen („Het duurde even want het waren de jaren zestig, en iedereen deed toen bizar”), maar die haar gedurende haar jeugd zo domineerde dat daar, denkt ze, haar introverte houding door ontstond.

Het boek doet denken aan Just Kids, dat Patti Smith schreef over de periode begin jaren zeventig, toen ze samen met Robert Mapplethorpe een ingang in de New Yorkse kunstwereld zocht. Tien jaar later was ook Gordon in de ban van New York, en van charismatische kunstenaars als Dan Graham, Tony Ousler en Jean-Michel Basquiat. Gordon is enthousiasmerend over met name de conceptuele kunst, en benadrukt een paar keer dat ‘artist’ haar voornaamste bezigheid is. Meer dan muziek.

Toch zijn de meest emotionele passages verbonden met muziek. De dood van goede vriend Kurt Cobain, de opwinding over toeren met Neil Young, en, uiteindelijk, dat laatste optreden van Sonic Youth in São Paulo, waar ze wist dat dit niet alleen het laatste concert was met haar band, maar ook het laatste samenzijn met Moore. Daar speelde ze voor duizenden juichende fans en voelde zich ‘eenzamer dan ooit’.