Het zich uitbreidende Europa is een ballon die op knappen staat

Een grens trekken is als het begraven van de strijdbijl. De fout die lidstaten maken is dat ze grenzen opheffen in plaats van veiligstellen. Kijk naar de Krim, aldus Pascal Bruckner.

Illustratie Hajo

Niet de overdaad, maar het gebrek aan grenzen is debet aan de huidige malheur, of althans een deel daarvan, van Europa. Dat geldt vooral in het centrale en oostelijke deel, waar regio’s nu eens Duits, dan weer Pools, Russisch, Oekraïens, Oostenrijks-Hongaars waren, waar bestuursvormen veranderden, namen wijzigden en volkeren van huis en haard werden verdreven.

Na de annexatie van de Krim in 2014 vormt nu Oost-Oekraïne – toneel van een onafhankelijkheidsoorlog die wordt gesteund door Moskou – een voorbeeld van wazige grenzen die zich goed lenen voor alle mogelijke agressie. Het doel van het moderne Europa was om kleine staten te beschermen tegen de hebzucht van grote landen, om hun grenzen veilig te stellen, hun taal, hun identiteit en een of meer religies te beschermen.

Een grens is niet alleen een lijn die afbakent, maar ook een wond die kan bloeden en waarvoor mensen gestreden hebben. Sommige wonden worden littekens, andere gaan weer open. De fout bij de inrichting van Europa, is dat men grenzen wilde opheffen in plaats van die veilig te stellen, en dat allemaal onder de vlag van het federalisme, waarbij volken werden samengevoegd in een onduidelijk mengsel.

Dat is de stelling van Thierry Baudet in zijn boek, waarin hij, in navolging van anderen, met elegante eruditie schrijft over de nationale identiteit. Het Europese drama is tweeledig: Brussel heeft de nationale soevereiniteit uitgehold zonder daar een supranationaal oppergezag voor in de plaats te stellen, terwijl het intussen steeds weer nieuwe landen uitnodigt om bij de Europese Unie te komen. Europa is een ballon geworden die steeds verder wordt opgeblazen.

Het immigratiebeleid van Brussel heeft volken naast elkaar geplaatst die uiteenlopende culturen hebben, een verschillend levenstempo hebben, een ander geloof aanhangen. En dan vraagt Brussel van hen dat ze elkaar begrijpen en van elkaar houden in naam van het respect voor de diversiteit. Oftewel, het multiculturalisme heeft, vooral in de Angelsaksische landen, de segregatie benadrukt in plaats van het ontstaan van een nationaal sentiment te bevorderen. In plaats dat het onderscheid tussen ‘wij’ en ‘zij’ werd verminderd, is dit beleid van ‘gooi alles maar op één hoop’ tot stand gekomen dankzij een snel opkomend anti-racisme dat op identiteit gerichte, chauvinistische schurken contrasteerde met genereuze autochtonen die blij zijn om met wie dan ook samen te wonen.

Onder het mom van islamofobie is kritiek op een godsdienst verworden tot een daad van racisme. Men heeft landen verward met een blik doperwten waaraan men eindeloos nieuwe elementen toevoegt zonder zich af te vragen of dat allemaal wel goed gaat. Daardoor is het gevoel van loyaliteit kapot gemaakt en zijn naties veranderd in gebieden waarin gemeenschappen samenwonen die elkaar vijandig gezind zijn of die op zijn best onverschillig tegenover elkaar staan.

De actualiteit toont ons dagelijks voorbeelden van die mislukking. Die strategie zien we zelfs terug op onze eurobiljetten waarop niet de grote kunstenaars of wetenschappers van een land staan afgebeeld, maar waarop bogen, bruggen en stationshallen te zien zijn: alsof Europa een stationshal is waar de gehele mensheid rondloopt. Een tragische vergissing, die getuigt van een akelige leegheid en die deels de huidige verwarring in Europa verklaart.

Een grens trekken komt neer op het begraven van de strijdbijl: de voormalige vijand wordt bondgenoot, de vreemdeling wordt buur. Het wordt weer rustig langs de grenzen, de gevaren wijken. Elke grens bergt de illusie in zich van zijn eigen vernietiging: velen zien in het moderne Europa een belofte voor de hele wereld, een ,,kwestie van beschaving” (volgens de Franse filosoof Edgar Morin), vergelijkbaar met het oude Rome, Athene of Jeruzalem. ,,Wij verenigen geen staten, wij verenigen mensen”, zei Jean Monnet, grondlegger van de Europese Unie, met een typisch Frans gevoel voor abstractie.

En daar komt nu een deel van ons malheur uit voort. Ceuta en Melilla in Marokko, Lampedusa in Italië, de Canarische Eilanden, de grens tussen Turkije en Griekenland, allemaal reisbestemmingen van immigranten uit Afrika, het Midden-Oosten en Azië, herinneren ons eraan dat Europa niet de hele wereld is, en ook geen tweede Verenigde Naties en dat we niet kunnen opendoen voor iedereen die aan de poort staat.

Europa heeft haar uiterste grenzen altijd als veranderlijk beschouwd. Maar ze heeft de klassieke vaderlandsliefde de nek omgedraaid zonder er een federaal patriottisme tegenover te stellen zoals Amerika dat kent, waar de trouw aan de vlag en het geloof in de Amerikaanse verkiezingen het cement van het land vormen.

Europa daarentegen is een verbrokkeld lichaam, waarvan de stukjes samen een simpele collage vormen. Het is niet Europa dat naties om zeep heeft geholpen, het zijn de landen zelf die zich zodanig hebben uitgeput in oorlogen dat ze, om te overleven, niet anders konden dan een verenigd Europa op te bouwen.

Beroofd van hun aanspraak op de enige waarheid, lijdend aan ruimtevrees in een wereld die te groot is, weten de Europese landen niet meer wie ze zijn, waar hun grondgebied begint en ophoudt. De uitbreiding van Europa vergroot die onduidelijkheid gek genoeg – onzekerheid geboren uit te veel openheid naar de wereld. Van nationaal isolement gingen we over op angst voor de grote openheid. Baudet luidt terecht de noodklok.

Europa gaat ten onder aan haar eigen succes: iedereen wil erheen, terwijl het continent twijfelt aan haar taak. De oude dame dirkt zich nog steeds op om maar het hof gemaakt te worden. „De enige grens die de Europese Unie trekt is die van de democratie en van de mensenrechten”, staat er in de inleiding van de Verklaring van Laeken uit november 2001.

Zo geredeneerd mogen ook India, Zuid-Afrika, Senegal, Ghana, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten, Japan, Zuid-Korea en een flink deel van Zuid-Amerika toetreden tot de Europese Unie. Europa droomt van een kosmopolitische orde waarvoor zij model staat en die geleidelijk de hele planeet zal omvatten.

De Oude Wereld is angstig en gulzig tegelijk, en loopt net als Rome, het risico dood te gaan door vetzucht, die steeds erger wordt naarmate haar politieke en militaire instabiliteit toeneemt. Naarmate ze zich opblaast, verliest ze aan inhoud wat ze aan oppervlakte wint. Zij vermengt politieke gelatenheid met infantiele hoop om nog meer miljoenen mensen zonder problemen te kunnen opnemen.

Welnu, de grens is niet alleen limiet of obstakel maar de voorwaarde voor de democratische praktijk, zij vestigt een duurzame band tussen hen die zij omheint en geeft het gevoel van een gemeenschappelijke wereld. Zij scheidt zo sterk als dat zij verbindt. Men moet een woonplaats hebben om zich naar buiten te kunnen openen en het is goed dat naties afgegrensd zijn, ieder met haar taal, tradities om samen te blijven.

Europa zou er goed aan doen eerst binnen haar eigen grenzen orde op zaken te stellen alvorens haar invloed daarbuiten te laten gelden. Ze moet de moed hebben om te zeggen dat het continent vol is, haar constructie herzien en niet zwichten voor de grote verleiding die uitgaat van de oneindigheid. Een grens trekken is geen daad van vijandigheid, maar een zaak van goed ‘nabuurschap’.