Cor Jaring leefde zijn foto’s

Fotograaf Cor Jaring was erbij, in de magische jaren zestig en zeventig, toen Amsterdam de hoofdstad was van hippies en provo’s. Hij legde de happenings vast en deed er volop aan mee. Huis Marseille en het Stadsarchief Amsterdam eren hem met een dubbeltentoonstelling.

Boven: Cor Jaring, Japan, 1966 Foto’s Cor Jaring

Het lieverdje, een bronzen straatjochie, was zo’n vriendelijk kunstwerkje. Eigenlijk. Maar dat imago ging in 1965 in rook op door happenings zoals ‘Stoned in the Streets’ met optredens van antirookmagiër Robert Jasper Grootveld. Mede gefinancierd door een sigarettenfabrikant was de sculptuur op het Amsterdamse Spui volgens Grootveld het beeld van de verslaafde consument, er moest dus een magische cirkel omheen. Met rook, vuur, met verf op het gezicht schiep hij elke zaterdagavond een seance om de slaafse consument te bevrijden van zijn kapitalistische geesten. Met die geest uit de fles ontstond al gauw de ook ludieke provobeweging waarna Amsterdam internationale faam kreeg als hippiehoofdstad.

Dat we weten hoe die expressieve optredens eruitzagen, danken we aan fotograaf Cor Jaring (1936-2013). Hij voelde zich thuis in Grootvelds kringen. Getooid met een pershelm, een kunstig hoofddeksel met antennes en apparaatjes, legde hij vast hoe kunstenaars er het leven vierden: met bodyart en klankpoëzie, in trance. Hij zag hoe Bart Huges zijn schedel doorboorde om altijd ruimer – high – te kunnen denken. Die laatste foto’s, nu te zien in het Stadsarchief Amsterdam, zijn gruwelijk, zeker die in kleur. Kort voor zijn dood schonk Jaring zijn beeldarchief aan het Stadsarchief, met eigen foto’s en die van Hans Wöhlken. Ze vormen er nu de kern van een expositie over ‘Magisch Centrum Amsterdam 1965-1975’. Parallel brengt Huis Marseille een breder oeuvreoverzicht van Jaring, de fotograaf die driftig mee happende (dat werd een werkwoord) in die magische provohoofdstad.

En boy, wat was Amsterdam hi-ha-happening. Jarings foto’s tonen een tijdvak vol rook, van sjekkies, hasjiesj, rookbommen, seances. Van provo ging hij naar de love-ins in het Vondelpark en via erotische modeshows naar de vele demonstraties: er was altijd wel iets om voor of tegen te protesteren. En als de vlaggen rood werden, pakte Jaring zijn kleurenrolletje tevoorschijn.

Pershelm

Het levert een bonte tentoonstelling op, maar exposeer dit verleden maar eens: de kleurrijke flowerpower bloeit moeilijk in documentaire foto’s. Het Stadsarchief weet ze redelijk te reanimeren met video, geluid en objecten zoals Jarings pershelm. Je beseft er dat de recente bezetting van het Bungehuis in dezelfde traditie past als veel spirituele performancekunst van nu: ook kunstenaars als Melanie Bonajo, Jasper Griepink en Toine Klaassen zoeken alternatieve levenswijzen in onze verzakelijkte maatschappij. Vanuit die gedachte lijken Grootvelds happenings de laatste avant-gardes, van oudsher een militaire term – voorhoedes die voor de troepen uit gaan. Dat maakt Jarings ludieke hoofddeksel bijna een pacifistische legerhelm in het strijdgewoel van avant-gardisten die het laatste bastion bestormden: kunst en leven vervlechtend tot één grote performance. Jaring fotografeerde alles rechttoe rechtaan, middenin de menigte, zonder de artistieke composities of strijklicht uit zijn vroegere havenfoto’s.

Zonder Jaring was die kunstgeschiedenis vergeten, wordt in een video verteld door Theo Kley, de kunstenaar die Jaring volgde op onnavolgbare performances. Met buitenissige capes, vleugels en schmink trokken ze de polder door om koeien te beschilderen. Jaring was de archivaris, hoewel één die drinkend en rokend in de kroeg sterke verhalen ophing. Zijn kinderen wisten niet beter dan dat de kroeg zijn kantoor was, met kantooruren tot vier uur in de ochtend. Soms barricadeerde zijn vrouw de voordeur, troffen de kinderen ’s ochtends weer een dakloze logé op de bank, of vergat hij dat zijn gezin gepakt en wel klaarstond om op vakantie te gaan. Leven en fotografie vielen volledig samen bij Jaring: hij leefde zijn foto’s.

Het stadsarchief toont die paar roemruchte jaren, de tentoonstelling in Huis Marseille gaat over zijn hele oeuvre. Dat begint met mooi uitgebalanceerde arbeidersfoto’s uit de jaren vijftig. Die zorgvuldigheid relativeert zijn eigen opmerkingen dat hij vanwege zijn eigen armoede de fotografie in gerold was. Hij was zelf opgegroeid met een afwezige drinkende vader en toen hij zelf een gezin had, maakte hij zijn inkomsten ook deels op in het café. De kroegbaas kocht wel eens een foto van hem. Het was sappelen en bij Kley klaagde Jaring dat hij niet in aanmerking kwam voor subsidie van de Beeldend kunstenaarsregeling van toen. Kley kleurde zijn havenfoto’s in met verf, toen lukte het wel. „Kunst hoor Willy”, verdedigde Jaring zich naar zijn boze echtgenote die op zijn atelier naaktfoto’s vond. Maar zijn ze kunst, de foto’s van Amsterdamse dames op kleedjes in de duinen? De natuur is niet aangeharkt, de vrouwen zijn vlekkerig in beeld gebracht, met strepen van hun net uitgetrokken bh’s. Alles is te nonchalant, te gewoontjes, al is die groezeligheid wel typisch voor Jaring, de zelfkantfotograaf.

Sombere brief

Toch verdiende hij ook met reisreportages. Huis Marseille schenkt aandacht aan Jarings reis naar Tokio en Indonesië in 1966. Er hangt een diep sombere brief die hij vanuit zijn hotel aan zijn vrouw stuurde. De angst uit de brief is begrijpelijk: zijn stiel was die van insider. En dat was hij daar niet. Erg opzienbarend werden zijn foto’s van het straatleven er niet echt. Hij zocht er naast de schoonheid, vond losse stoeptegels, vetvlekken, eenzaamheid, nachtvlinders. En gelukkig trof hij er een demonstratie – dat voelde toch een beetje als thuis. Hij kon terugkeren naar Amsterdam met nog meer sterke verhalen voor in de kroeg.

De twee exposities bewijzen dat Jarings talent dat was van een deelnemer, de juiste man op de juiste plek. Met zijn directe aanpak ving hij de vitaliteit, al had hij dat toen niet erg door: „Ik dacht dat het wat leuke gestoorde gekken waren. Waar ik precies op aansloot.” Later besefte hij dat hij een baanbrekend moment had meegemaakt en daar zelf een belangrijke rol in had gespeeld: „Ik viel met mijn neus in de boter.”