Column

Zelfverwijt

Heeft u ook een integriteitsprobleem? Kom er rustig voor uit, want wie in Nederland zonder integriteitsprobleem is, werpe de eerste steen. Bij de VVD stapelen zich zelfs zoveel integriteitsproblemen op dat het eentonig wordt. De enige VVD’ers die straks fier overeind blijven, zijn Mark Rutte en Jos van Reij – Rutte dankzij zijn opportunisme en Van Reij dankzij zijn voorkeursstemmen.

Toch vallen de integriteitsproblemen van de VVD in het niet bij die van Willem Holleeder. Hoe zou het hem te moede zijn in die Extra Beveiligde Inrichting in Vught, waar ze hem hebben afgezonderd? Ik stel me voor dat zijn advocaat gisteren zijn cel met een bedeesd kuchje binnentrad, De Telegraaf en NRC Handelsblad nog onzichtbaar onder zijn arm.

„Heb je een krantje voor me meegenomen?”, vraagt Holleeder. „Ik wou eerst even...” aarzelt zijn advocaat. „Schiet op met die kranten”, beveelt Holleeder, die niet graag tegengesproken wordt. Hij maakt een gebaar alsof hij een pistool op het hoofd van de advocaat wil zetten. „Ik dreig niet, maar ik doe”, roept hij. Het is zijn lijfspreuk geworden, een beetje gekopieerd van Pim Fortuyns „Ik doe wat ik zeg”.

De advocaat spreidt haastig de kranten voor hem uit. Holleeder ziet de voorpaginakop van De Telegraaf („Vrouwen vloeren Holleeder – verklaringen van ex en zussen genadeklap”), veegt de krant met één veeg van tafel en brult: „Heb ik toch nog te weinig mensen vermoord.” „Maar je kon toch niet aan de gang blijven?” vraagt zijn advocaat. „Natuurlijk wel”, zegt Holleeder, „ik ben gewoon te goed van vertrouwen geweest. Mijn eigen zussen! Hoe diep kan een mens zinken?”

„Sommige mensen zijn nu eenmaal gewetenloos”, probeert zijn advocaat hem nog te troosten. Tevergeefs. Holleeder pakt de NRC, kijkt naar het artikel van Jan Meeus („Zussen Holleeder willen dat hun broer levenslang krijgt”) en zegt bitter: „Dat zeiden ze vroeger al als ik met ganzenborden in de gevangenis terechtkwam.”

Hij wordt pas wat milder als hij de Achterpagina („Altijd geinig”) onder ogen heeft gekregen, maar toch komt het met zijn humeur die dag niet meer goed. „Pas maar goed op je kinderen”, zegt hij ten afscheid tegen zijn advocaat, „want ontevreden cliënten zijn tot alles in staat.”

In de stilte van zijn cel ontkiemt dan bij hem een even brutale als interessante gedachte: zou hij nog eens bij Twan Huys aankloppen voor weer zo’n vriendelijke College Tour-uitzending als poging tot rehabilitatie? Hij had een leuk contact met Huys gehad en die Nederlandse studenten waren ook niet de snuggerste van de wereld.

Maar zelfverwijt drong deze gedachte naar de achtergrond. Dat gebeurde later op de dag toen hij de NRC wat grondiger doornam. Hij stuitte daarbij op het interview van Marcel Haenen met een man die een boek had geschreven over zijn ervaringen bij de politie. „De rechercheur is uitgeblust”, stond erboven. „De politieorganisatie is compleet verzuurd en nog meer naar binnen gericht dan ze al was”, zegt de man. En: „Soms schaam je je diep voor de manier waarop wij als politie met een aangifte zijn omgesprongen.”

Rechercheurs luisteren op het bureau naar luidruchtige diskjockeys en kijken veelvuldig naar „websites met auto’s, sportschoenen of vakantieveilingen”.

Hoe de fuck is het mogelijk, dacht Holleeder, dat ik me door deze losers heb laten verslaan.