Tegenwicht voor Duitse troostfilms

Twee films over het naoorlogse geheugenverlies vormen een tegenwicht voor een filmgolf over goede Duitsers in WO 2.

‘Een labyrint van zwijgen’ heet het in de Duitse film Im Labyrinth des Schweigens van de Duits-Italiaanse acteur/regisseur Giulio Ricciarelli, die de opmaat naar de Frankfurter Auschwitzprocessen beschrijft.

De term komt uit de mond van procureur-generaal Fritz Bauer, die zijn idealistische collega waarschuwt dat een onderzoek naar de oorlogsmisdaden van gewone Duitsers die na de oorlog weer als leraar, bakker of advocaat aan het werk gingen niet eenvoudig zal zijn. Hij zal verdwalen in een doolhof van stilte en ontkenning. Maar de jonge jurist zet door en het Auschwitzproces zal een keerpunt worden in het collectieve geheugenverlies van het naoorlogse Duitsland.

Troostfilms

Duitsland produceert de afgelopen jaren de ene na de andere film over de menselijke kant van Hitler, toch ook heus wel goede Duitsers (een begrip geworden na Steven Soderberghs cynische The Good German) en helden die het in hun uppie opnamen tegen de oorlogsmachine van de nazi’s. Zelfkritiek is zeldzamer.

Ook het afgelopen Filmfestival Berlijn ging weer zo’n troostfilm in première: Elser, 13 Minutes that Could Have Changed the World van Oliver Hirschbiegel die ook al in 2004 Der Untergang regisseerde, inderdaad die film over Hitler in de bunker die het ook niet makkelijk had. Der Untergang trok een miljoenenpubliek, sleepte een Oscarnominatie in de wacht, maar was in Duitsland ook controversieel door de nonchalante manier waarop de Holocaust en het einde van de Tweede Wereldoorlog werden behandeld.

Elser is als het ware de contra-Untergang, een waargebeurd verhaal over een man die in 1939 een aanslag op Hitler beraamde en net dertien minuten tekortkwam. Een spannend what if-verhaal, een keurig geschiedenislesje, en een veilige manier om je met de ambivalenties van de geschiedenis te identificeren. De kritiek op die doodgenuanceerde aanpak komt niet alleen van regisseurs als Giuliu Ricciarelli en Christian Petzold, die de Duitse historische amnesie aanklaagt in zijn nieuwste film Phoenix. Hij blijkt ook uit het debat dat oplaaide naar aanleiding van de razend populaire Duitse tv-serie Unsere Mütter, unsere Väter (Generation War) vorig jaar. De serie volgt vijf Berlijnse vrienden in WO II, liet zowel misstanden bij de Wehrmacht zien als de alledaagsheid van het antisemitisme (en riep in Polen weerstand op omdat men vond dat het Poolse verzet niet beter werd afgeschilderd dan de Duitse bezetter). Duitse en Amerikaanse critici hekelden de serie omdat hij de oorlog zou ‘normaliseren’ en zelfs ‘excuseren’.

Fassbinder

De omgang met de Holocaust en WO II zijn bepalend voor de manier waarop Duitsland zijn moderne identiteit vormgeeft. Film is daar als massamedium zeer toonaangevend in. Regisseurs als Petzold hebben gelijk als ze stellen dat na een handvol Trümmerfilms, waarvan de bekendste Germany Year Zero (1947) bovendien door de Italiaan Roberto Rosselini werd gemaakt, het tot de jaren zeventig en tachtig duurde voordat Rainer Werner Fassbinder als provocatief boegbeeld van een nieuwe generatie het zwijgen van het Adenauer-tijdperk doorbrak. De stijl en vervreemdingseffecten die hij en zijn generatiegenoten gebruikten om het naziverleden te attaqueren – gebruikmaken van nazi-esthetiek, afstandelijke acteer- en spreekstijl, ascetische mise-en-scène, sobere sets – zien we nu terug in Phoenix. Even eenzaam en hartbrekend als Kurt Weills Speak Low dat hoofdpersoon Nelly aan het einde van de film zingt. Het is haar liefdeslied voor Duitsland, voor haar geliefde Johnny, en al zijn de woorden te stil om gehoord te worden, ze zal blijven zingen: „time is so old”. Tot we (haar) willen horen. En zien.

    • Dana Linssen