Sultan maakt nieuwsgierig en bang

In Brussel is te zien hoe in de Renaissance het Westen en de Ottomaanse wereld elkaar beïnvloedden.

Gentile Bellini (toegeschreven aan), Portret van sultan Mehmet II (1480) The National Gallery London

Nog in 1683 stonden de Turken voor de poorten van Wenen. Het machtige Ottomaanse Rijk bevatte destijds het Midden-Oosten, Noord-Afrika, Griekenland en de Balkan. Het Beleg van Wenen vormde het, uiteindelijk mislukte, sluitstuk van de Ottomaanse expansie.

Al sinds midden vijftiende eeuw, toen de islamitische Osmanen de baas werden in het eeuwenoude, christelijke Byzantijnse Rijk, boezemden zij in het Westen angst en ontzag in. Maar niet minder groot was daar de fascinatie voor hun kunst, cultuur en gebruiken. En tegelijkertijd bestond in het sultanaat belangstelling voor verworvenheden van de westerse renaissance.

Een mooie tentoonstelling in Brussel laat zien hoe oost en west contacten onderhielden en voorwerpen en ideeën uitwisselden in de periode van de Verovering van Constantinopel in 1453 tot 1606 toen de Vrede van Zsitvatorok werd gesloten tussen de islamitische sultan en de katholieke keizer van het Heilig Roomse Rijk.

Een voorbeeld van de wederzijdse waardering is het verzoek dat sultan Mehmet II in 1479 deed aan de republiek Venetië om hem een schilder te sturen. Veelzeggend is dat de stad een van haar belangrijkste kunstenaars, Gentile Bellini, afvaardigde. Deze wist zich in korte tijd geliefd te maken bij de sultan van wie hij een portret maakte. Het schilderij in olieverf wijkt af van de abstraherende beeltenissen van de sultan. Het toont een gedetailleerde, zo te zien waarheidgetrouwe weergave van Mehmet, met zijn smalle gezicht in driekwart aanzicht, een grote witte tulband en een rossige baard. Een andere, minder bekende maar minstens zo inventieve kunstenaar die enkele jaren in Constantinopel (het huidige Istanbul) verbleef, was de Deens-Duitse prentenmaker Melchior Lorck. Tussen 1555 en 1559 verbleef hij in het oosten, waar hij motieven tekende die hij later zou uitwerken in houtsneden van sultans en soldaten, moskeeën en dromedarissen.

Terwijl de aandacht voor culturele uitwisseling tussen Europeanen en Osmanen zich doorgaans concentreert op centra in Italië, Vlaanderen en Duitsland, beoogt deze expositie ook de situatie in het oostelijk deel van Midden-Europa te belichten. In de oude koninkrijken Bohemen en Hongarije, die direct grensden aan het Ottomaanse Rijk, kwamen de verschillende culturen immers nog dichter bij elkaar. Een doodsportret dat een anonieme Hongaarse schilder in 1648 maakte, bijvoorbeeld, toont de gestorven graaf Gáspár Illesházy met strijdknots en zwaard languit liggend op een geïmporteerd Turks tapijt. Maar eerlijk is eerlijk: de minutieus gedetailleerde oosterse tapijten in schilderijen van de Vlaming Hans Memling of de Venetiaan Lorenzo Lotto komen eigenlijk beter uit de verf.

Intussen was het stereotype van ‘de Turk’, met zijn exotische kleding, baard en tulband, in Europa steeds meer synoniem geworden met de slechterik. Je hebt er de fraai geïllustreerde catalogus voor nodig om alle varianten te herkennen. Zo blijken in schilderijen van gemartelde heiligen de beulen vaak Ottomaans uitgedost, en in Midden-Europa verbeelden Turken vaak wrede tirannen. Meer krediet kregen ze van de Nederlandse vrijheidsstrijders die het in de zestiende eeuw opnamen tegen de Spaanse, katholieke overheersers. Deze geuzen voerden een embleem met een halve maan en het opschrift „Liever Turks dan paaps”.