Niemand gelooft de klusjesman

Volgens de rechter kreeg de klusjesman van Picasso een doos met 271 werken niet als gift, zoals deze beweert. Maar waar de kostbare kunst wel vandaan komt, blijft vaag.

Pierre Le Guennec vrijdag na zijn veroordeling wegens heling. Rechtstwee werken van Picasso uit Le Guennecs omstreden doos. Foto REUTERS/Eric Gaillard

Het was op een avond, waarschijnlijk in 1972, dat Jacqueline Picasso-Roque, de laatste vrouw van Pablo Picasso, elektricien Pierre Le Guennec na een dag werken naar de voordeur geleidde. In de gang van het ‘Mas de Mougins’, het huis waar de schilder een jaar later zou overlijden, stopte ze hem in het voorbijgaan een doos in handen. „Dit is voor u, neem maar mee naar huis”, zou ze volgens Le Guennec hebben gezegd.

Eenmaal thuis in Mouans-Sartoux, vlakbij Cannes, was de eenvoudige klusjesman weinig onder de indruk. Hij vond „in bulk” verpakte „potloodtekeningen, schetsen” en, naar eigen zeggen, „verkreukeld papier”. Hij zette de doos in de garage en keek er bijna veertig jaar niet meer naar om. „Ja, als madame me nou een schilderij zou hebben gegeven, dat zou leuk zijn geweest”, zei Le Guennec vorige maand kennelijk teleurgesteld tegenover een rechter in het verderop gelegen parfumstadje Grasse.

Na een vijf jaar durend onderzoek, veroordeelde die rechter Pierre Le Guennec en zijn echtgenote Danielle vrijdag tot twee jaar voorwaardelijke gevangenisstraf en teruggave van de werken wegens „heling van goederen afkomstig uit diefstal”. Hij gelooft niet dat de kunstenaar de 271 werken echt cadeau heeft gedaan aan de man die vanaf 1971 voor hem werkte.

„Picasso had volledig vertrouwen in mij”, zei Le Guennec in de rechtbank ter verdediging. Tot 1986 heeft hij met Jacqueline contact gehouden en zij leende hem in die jaren zelfs een flink geldbedrag om een taxilicentie te kunnen kopen. De advocaat van de Guennecs, Charles-Etienne Gudin, noemde Picasso vorige week „zeer genereus” en iemand die „uit respect voor arbeiders” best de werken cadeau kan hebben gedaan. Maar getuigen die dat kunnen bevestigen, heeft hij niet kunnen vinden.

De affaire begint op 14 januari 2010. Vanaf die dag ontvangt Picasso’s zoon Claude Ruiz, bestuurder van de stichting die de nalatenschap beheert, brieven met vage foto’s van werken die, denkt hij, best eens van zijn vader zouden kunnen zijn. De inmiddels gepensioneerde Le Guennec kampt met gezondheidsproblemen en probeert zijn erfenis op orde te brengen, zegt hij. Bij het opruimen van de garage trof hij de doos weer aan, en van de Picasso-specialisten in Parijs wil hij zwart-op-wit dat de werken authentiek zijn.

Zoon Claude is geïnteresseerd en nodigt het echtpaar uit de trein naar Parijs te nemen. Als de werken een voor een uit het rolkoffertje van de Guennecs komen, zijn de experts verbijsterd. Dit lijkt de grootste ontdekking van onbekende Picassso’s sinds zijn dood. De nogal productieve kunstenaar liet naar schatting 40.000 werken na, alle in de jaren zeventig beschreven. Maar deze vroege werken, uit de periode van 1900 tot 1932, zijn niet bekend.

Het gaat om tekeningen van vrouwen en paarden, negen zeldzame kubistische collages uit de tijd dat Picasso samenwerkte met Braque, een studie uit de ‘blauwe periode’, schetsboeken en schetsen van zijn eerste vrouw Olga en zijn maîtresse Fernande. De waarde: 60 tot 100 miljoen.

Maar de werken zijn niet gesigneerd en dat is verdacht. Picasso was inderdaad genereus, maar zou al het werk dat legaal zijn atelier verliet, hebben ondertekend om de echtheid te bevestigen.

Claude Picasso doet aangifte en in oktober 2010 valt de Franse politie de garage binnen. De werken, die inmiddels voor optimale conservering in keurige kunstdozen tussen zijdepapier liggen, worden in beslag genomen, het echtpaar gearresteerd.

Al tijdens de eerste verhoren ontdekt de politie scheurtjes in het verweer van het echtpaar. Terwijl Pierre Le Guennec zegt dat Jacqueline Picasso hem de werken gaf, meent zijn vrouw Danielle dat het de „maître” zelf was. Wanneer precies, is Pierre „vergeten”. Volgens hem zat het werk in een „doos”, volgens haar in een „vuilniszak”. Hoe dan ook, volgens kenners zijn de kunstwerken eigenlijk in te goede staat.

En dan is er nog de tamelijk professionele inventaris die Pierre naar eigen zeggen „geïnspireerd op veilingcatalogi” zelf gemaakt heeft. Daarin beschrijft hij bijvoorbeeld de overeenkomsten tussen een kleine potloodstudie met een schilderij dat in het MoMA in New York hangt. Maar tijdens de behandeling van zijn zaak blijkt Le Guennec dat museum niet te kennen.

„We hebben hier overduidelijk te maken met een internationale witwasoperatie van kunstwerken”, meent advocaat Jean-Jacques Neuer van de Picasso-familie. Hij vermoedt dat Le Guennec slechts een radertje in een groter web is. Want tijdens de politieverhoren in 2010 had Le Guennec een tamelijk essentieel punt verzwegen: hij is een volle neef van de vrouw van de chauffeur van Picasso, Maurice Bresnu.

Deze Jacqueline Bresnu, die in 2009 overleed, raakte in opspraak in december 2010, toen het veilinghuis Drouot in Parijs een grote collectie Picasso’s van een mysterieuze ‘Madame B.’ wilde veilen. Haar al in 1991 overleden man werd er bij leven van verdacht honderden werken van Picasso te hebben ontvreemd. Het echtpaar Bresnu was kinderloos. Eén van de erfgenamen was Pierre Le Guennec.

Maar de voormalige klusjesman, inmiddels 75 jaar oud en sterk vermagerd, blijft erbij dat hij de 271 kunstwerken in de jaren zeventig gekregen heeft. „We zijn teleurgesteld”, murmelde hij na de uitspraak tegenover de Franse pers. Voor advocaat Neuer komt met de uitspraak „een eind aan een mystificatie en een manipulatie van de publieke opinie die een machtige familie tegenover een kleine elektricien plaatste”. Maar Danielle Le Guennec hield dat beeld graag nog even in stand. „We zijn eerlijke mensen”, zei ze. „Misschien kunnen we niet goed spreken, want we zijn maar kleintjes, we hebben geen grote naam.”

De Le Guennecs gaan in beroep.