‘Ik moest weer in gesprek met de islam’

In een nieuw boek beschrijft islamcriticus Ayaan Hirsi Ali haar laatste inzichten. „Ik kreeg het gevoel dat ik meer moest doen dan alleen fulmineren.” Een voorpublicatie.

Ayaan Hirsi Ali in 2006, het jaar dat ze vanuit Nederland emigreerde naar de VS. Foto Jan Grarup/Laif/Hollandse Hoogte

‘In 2012 werd ik door de Harvard Kennedy School uitgenodigd om een studiegroep te leiden over de raakvlakken van godsdienst, politiek, maatschappij en openbaar bestuur in de islamitische wereld. Dat heb ik nu drie jaar gedaan. Centraal in het seminar staat de islamitische politieke theorie. Het is bedoeld voor mensen die al bezig zijn met hun loopbaan, variërend in leeftijd van halverwege de twintig tot boven de veertig, maar ook studenten kunnen deelnemen. De bijeenkomsten duren negentig minuten en er is een uitgebreide leeslijst.

Zoals inmiddels wel duidelijk zal zijn, oefen ik al meer dan tien jaar stevige kritiek uit op de politieke islam. Maar de afgelopen jaren kreeg ik het gevoel dat ik meer moest doen dan alleen fulmineren, en ook weer in gesprek moest gaan met de islam – zowel de godsdienst als de ideologie – niet alleen om mijn inzicht in het complexe religieuze en culturele erfgoed te verdiepen, maar ook in het belang van degenen die, net als ik vroeger, klem zitten tussen de eisen van een star geloof en de aantrekkingskracht van een moderne samenleving. Dit boek is een van de vruchten van die conclusie. In die zin is het een voortzetting van de persoonlijke en intellectuele reis die ik in mijn vorige boeken heb opgetekend. De studiegroep was een belangrijke eerste stap.

Vanaf het begin was ik nieuwsgierig naar de 25 studenten die zich voor mijn studiegroep inschreven. Op de eerste lijst die ik van het secretariaat kreeg, stonden namen die deels Engelstalig klonken, deels Arabisch. Ongeveer de helft bestond uit Amerikanen, onder wie twee militairen, die voor een groot deel in islamitische landen hadden gewerkt of dienst hadden gedaan. Ten minste drie van de Amerikanen waren joods. De rest van de groep was vrijwel allemaal moslim: mannen uit Qatar, Turkije, Libanon, Pakistan en Senegal, en een jonge vrouw uit Niger. In veel opzichten waren de moslimstudenten uit de groep een afspiegeling van de moderne moslimelite: ze waren goed opgeleid, mobiel, dikwijls rijk en hielden er uiteenlopende opvattingen over de islam op na. Maar het werd al snel duidelijk dat sommige deelnemers van mening waren dat hun eigen visie de enig mogelijke was.

Op die eerste middag verzamelden de studenten zich, we stelden ons aan elkaar voor en ik begon te spreken. Na een paar zinnen stak de student uit Qatar zijn hand op en begon de anderen in de ruimte toe te spreken. Hij zei dat hij mijn woorden moest ‘verduidelijken’. Toen kwam de Pakistaan tussenbeide. Een derde en een vierde student sloten zich bij hen aan. Bij elke opmerking die ik over de islam maakte, had een van hen een verduidelijking. En vrijwel meteen werden ze persoonlijk. Volgens een van hen was ik getraumatiseerd, ik projecteerde mijn persoonlijke ervaringen op anderen en hersenspoelde mensen.

Een ander vond dat iedereen moest begrijpen dat ik alleen maar islamvijandige leugens vertelde.

De meeste andere studenten (onder wie de andere moslims) waren perplex. Een tijdlang leek het wel een tenniswedstrijd – hoofden gingen van de ene naar de andere kant bij hun verbale aanvallen en mijn pogingen die te pareren. Maar naarmate de minuten wegtikten, nam de spanning in de groep toe. Het was niet zozeer dat de andere studenten niets wilden zeggen, ze kwamen er gewoon niet tussen. En zo ging het niet alleen in de eerste sessie. Zo ging het wekenlang – totdat de ontevredenen in de vierde week wegbleven.

Ik heb geen probleem met discussie en debat. Daar ging het in deze cursus om. Maar tegenwoordig is het slechts een kleine stap van het bij voorbaat diskwalificeren van elke islamcriticus naar het terechtwijzen, impliciet bedreigen en compleet de mond snoeren van die persoon. Naar mijn idee had het fundamentele probleem waar de islam vandaag de dag voor staat niet beter ‘verduidelijkt’ kunnen worden dan door die pijnlijke eerste sessies in de seminarzaal.

De cursus was niet opgezet als een seminar over mijn persoonlijke visie op de islam. Ik had angstvallig vermeden mijn eigen werk erin op te nemen. In plaats daarvan had ik een afgewogen lijst met wetenschappelijke artikelen en academische boeken samengesteld, argumenten en tegenargumenten over de aard van de politieke theorie in de islam. Het was mijn bedoeling geweest dat materiaal in de groep te bediscussiëren. Maar het leek wel alsof de bezwaarmakende studenten de syllabus niet eens hadden ingekeken. Alleen al een vraag stellen over de islam was voor hen een zwaar vergrijp.

Daarom moeten we ons eerst afvragen waarom het zo moeilijk is om vragen te stellen bij de islam. Het meest voor de hand liggende antwoord is dat er tegenwoordig sprake is van een internationaal georganiseerde ‘eerbrigade’ om zulke vragen te voorkomen. Het dieper liggende antwoord is dat veel islamitische geestelijken wellicht bang zijn dat velen de islam verlaten als kritisch denken wordt toegestaan. Yusuf al-Qaradawi, een overtuigd Medina-moslim en vooraanstaand leider van de Moslimbroederschap, heeft verklaard: ‘Als de straf op ongelovigheid was afgeschaft, zou de islam nu niet meer bestaan. De islam zou geëindigd zijn met de dood van de Profeet, vrede zij met hem. Door de bestrijding van geloofsafval is de islam tot op de dag van vandaag behouden gebleven.’ De geestelijken zijn bang dat zelfs de kleinste vragen tot twijfel zullen leiden, dat twijfel tot nog meer vragen zal leiden en dat kritische geesten niet alleen om antwoorden maar ook om vernieuwingen zullen vragen. Vernieuwingen zullen op hun beurt een precedent scheppen. Andere kritische geesten zullen op die precedenten voortbouwen en er zal om nog meer concessies gevraagd worden. Al snel zullen mensen door al die vernieuwingen buiten het geloof terechtkomen.

Geloofsvernieuwing is een van de zwaarste zonden in de islam, gelijk te stellen aan moord en geloofsafval. Het is daarom volstrekt begrijpelijk waarom vooraanstaande moslimgeestelijken (oelama’s) het erover eens zijn dat de islam niet louter een godsdienst is, maar het enige omvattende systeem dat alle aspecten van het menselijk leven behelst, verklaart, integreert en voorschrijft: persoonlijke, culturele, politieke en religieuze. Samengevat: de islam gaat over alles. Een geestelijke die pleit voor de scheiding van moskee en staat wordt meteen in de ban gedaan. Hij wordt tot ketter verklaard en zijn werk wordt uit de bibliotheken verwijderd. Dit maakt de islam fundamenteel verschillend van andere monotheïstische godsdiensten in de eenentwintigste eeuw.

Het is belangrijk te begrijpen hoezeer in islamitische samenlevingen godsdienst verweven is met de politiek en met politieke systemen. Niet alleen zijn de grenzen tussen godsdienst en politiek poreus, er zijn nauwelijks grenzen. In zeventien landen met een moslimmeerderheid is de islam staatsgodsdienst en moet het staatshoofd praktiserend moslim zijn, terwijl in de christelijke wereld het staatshoofd in maar twee landen christen moet zijn (de Britse vorst moet ‘Beschermer van het geloof’ zijn, maar de troonopvolger wil ‘Beschermer van geloof’ worden). In landen als Saudi-Arabië en Iran, of binnen opkomende opstandige bewegingen als IS en Boko Haram, bestaan helemaal geen grenzen tussen godsdienst en politiek.

Die vermenging van het geestelijke en het wereldlijke biedt ons een eerste aanwijzing waarom een islamitische reformatie nog moet plaatsvinden. In het christendom kreeg de Reformatie immers vooral een kans doordat kerk en staat in het vroegmoderne Europa gescheiden waren.”