Het volle leven versus de rechte leer

Jihadisten komen kijken bij een gezin in de woestijn.

De grote omissie van de jongste editie van het filmfestival van Cannes was dat Timbuktu van regisseur Aderrahmane Sissako – geboren in Mauretanië, opgegroeid in Mali, woonachtig in Frankrijk – naar huis ging met lege handen. Die vergissing is sindsdien ruimschoots goedgemaakt met liefst zeven Césars, de belangrijkste Franse filmprijzen. Opmerkelijker nog: een miljoen bioscoopbezoekers ging de film zien in Frankrijk. En dat voor een film zonder bekende acteurs, die zich afspeelt in de stad in Mali die al eeuwen synoniem is voor een plaats die heel ver weg is en heel onbekend.

Dat publiekssucces hangt samen met het brisante thema van de film, zeker in het licht van de aanslagen begin januari in Parijs. Timbuktu gaat over de korte periode waarin buitenlandse jihadisten de woestijnstad innamen en daar onmiddellijk een strikte interpretatie van de sharia oplegden. Roken, muziek en voetbal zijn van de ene op de andere dag verboden. Vrouwen mogen zich alleen op straat vertonen met sluiers en handschoenen.

Veehouder Kidane (Ibrahim Ahmed) woont met vrouw en dochtertje in een tent buiten de stad, maar valt in handen van de kersverse autoriteiten, na een conflict met een naburige visser. Dat simpele gegeven is voor Sissako niet meer dan een kapstok om zijn humane visie op het conflict aan op te hangen. Schitterend zijn de gesprekken tussen de imam die een traditionele, deemoedige en vergevingsgezinde interpretatie van de islam aanhangt en de nieuwe machthebbers, die zo overtuigd zijn van hun eigen gelijk dat ze hun eigen dubbelhartigheid niet zien: roken is verboden door de strijders, maar zelf stiekem af en toe een sigaret opsteken moet kunnen. Voetbal is plotsklaps taboe, maar de strijders weten zelf wel alles van de respectievelijke merites van sterren als Messi en Zidane. Sissako laat dat zien – niet met boosheid of verontwaardiging, eerder met milde ironie.

Sissako verklaarde de film te hebben willen maken uit onvrede over de gebrekkige aandacht voor de dreiging van de radicale islam in Afrika. Vandaar dat hij aan het begin van de film een korte scène laat zien met een gegijzelde westerling, die verder in het stuk niet voorkomt. Daarna concentreert hij zich volledig op Afrikanen. Sissako laat er geen twijfel bestaan aan welke kant hij zelf staat, maar directe polemiek gaat hij uit de weg. Hij demoniseert de jihadisten niet. Waarom zou hij ook? De gebeurtenissen spreken voor zich, en zijn uiteindelijk hemeltergend. Het beste antwoord op gestrengheid, rechtlijnigheid en onverbiddelijkheid is de volle rijkdom van Sissako’s portret van de mythische stad en haar bewoners – geholpen door schitterende beelden van cameraman Sofian El Fani, ook de cameraman voor La vie d’Adèle van Abdellatif Kechiche, en krachtige muziek van de jonge componist Amin Bouhafa. Een zeer actuele film over een urgent thema, zeker, maar nog meer dan dat: een film die zowel wijsheid als schoonheid bevat.

    • Peter de Bruijn