De Togacolumn: Een nieuw begin op Justitie

De politiek moet soms de moed hebben weerstand te bieden aan de vox populi. En dus ook de advocatuur beschermen. De Togacolumn, deze week door Britta Böhler, advocaat en hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam.

Het is een goed teken dat de twee nieuwe bewindslieden van het ministerie van Veiligheid en Justitie, Ard van der Steur en Klaas Dijkhoff, één dag voor het begin van de astronomische lente werden beëdigd. Het biedt de kans de verhouding tussen het ministerie en de advocatuur te verbeteren. En dat is hard nodig.

Het crimefighterduo Opstelten-Teeven zag de advocatuur immers voornamelijk als een noodzakelijk kwaad dat de aanpak van criminaliteit in de weg stond en dat aan staatstoezicht moest worden onderworpen. Jarenlang getouwtrek over de nieuwe advocatenwet waarin dit toezicht zou worden geregeld was het gevolg. De Nederlandse Orde van Advocaten, gesteund door – onder andere - de Hoge Raad en de top van het Openbaar Ministerie, heeft zich hier fel tegen verzet. Uiteindelijk kwam dit toezicht er niet. Maar de voorgenomen wetswijziging zegt wel iets over de visie van het departement op de advocatuur.

Zullen de twee nieuwe bewindslieden deze lijn voortzetten? Laten we hopen van niet. Van der Steur is voor de advocatuur in ieder geval geen onbekende. Hij was als VVD-Kamerlid een aantal keren te gast bij het Gerbrandydebat dat de Nederlandse Orde van Advocaten elk jaar organiseert. Tijdens dit evenement discussiëren advocaten en politici over actuele onderwerpen die de advocatuur raken.  Zo ook in december vorig jaar, en ook toen was Ard van der Steur een van de sprekers.

Tijdens het debat werd onder andere over de grenzen van de geheimhoudingsplicht van de advocaat gesproken. In dat kader werd aan mij de vraag gesteld of een advocaat naar de politie moet stappen als hij van een cliënt informatie heeft gekregen over een gepland misdrijf.

Mijn antwoord was duidelijk: de geheimhoudingsplicht van de advocaat is een van de grondbeginselen van elke rechtsstaat en dus mag een advocaat deze alleen doorbreken als er sprake is van direct, concreet levensgevaar voor een derde. Bovendien geldt dat de advocaat in zo’n uitzonderlijk geval de politie weliswaar mag informeren maar een plicht hiertoe heeft de advocaat niet. De reactie van Van der Steur hierop was dat de advocatuur wel moest begrijpen dat de gewone burger dit “compleet gestoord” vindt. Hij voegde eraan toe dat hij het hier niet per se mee eens was maar dat dit wel was “wat de burger denkt”.

Ik herhaal hier wat ik hem toen ook heb geantwoord: de politiek moet soms de moed hebben weerstand te bieden aan de vox populi. En dat betekent bijvoorbeeld dat politici duidelijk moeten maken hoe belangrijk de advocaat en zijn geheimhoudingsplicht zijn voor ons rechtsstatelijk bestel. Met andere woorden, de politiek moet dus ook de advocatuur beschermen.

Ik wens de nieuwe bewindslieden dat zij dit ter harte nemen en dat zij de advocatuur, en dan met name de strafrechtadvocatuur, niet als vijand beschouwen maar als partner met een gemeenschappelijke doel: een goed functionerende rechtspleging.

Britta Böhler is advocaat en hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam. De Togacolumn wordt afwisselend geschreven door een advocaat, een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie en een rechter. Volgende week Miranda de Meijer, advocaat-generaal bij het ressortsparket in Den Haag.