Column

De weerbarstige winkelstraatwerkelijkheid

Eens in de zoveel tijd gaat de bezem erdoor – maar een opgeruimde winkelstraat is een saaie winkelstraat, vindt Egbert Schuttert.

Illustratie Tjarko van der Pol

Onze grootouders deden hun boodschappen in kleine buurt- en dorpswinkeltjes. Binnen: een met hout betimmerd interieur. Buiten: een geëmailleerd reclamebord en een houten fietsrek. Hier de bakker, een eind verderop de kruidenier. Winkels waren ingebed in de buurt. Maar halverwege de vorige eeuw kregen we meer welvaart en daardoor meer te besteden. Er kwamen meer producten die om ruimte vroegen, we kregen nieuwe winkels, veel winkels. Het houten interieur belandde al snel in het museum en we kregen er de winkels voor terug die we nu kennen. Die ontwikkeling had ook zijn weerslag op de openbare ruimte buiten. Er kwamen winkelstraten, winkelpromenades, een winkelplein: winkelmonoculturen. De voetganger kreeg er meer ruimte, soms zelfs alle ruimte. Een vorm van comfort. Maar ook de ondernemers wisten met die ruimte wel raad. Ze begonnen reclameborden buiten te zetten, vlaggen te plaatsen, ze hingen straatversieringen op, samen met de buurman aan de overkant. Het moest nog gezelliger. Er verschenen plantenbakken, bankjes en ander straatmeubilair.

Nu is de kans aanwezig dat u best van die winkelstraatgezelligheid houdt. Dat u hanging baskets en mozaïekbankjes heel mooi vindt. Maar gemeentebesturen en ambtelijke afdelingen hebben vaak een andere opvatting. Zij vinden zo’n winkelstraat sleets en ondermaats en het plein te weinig allure hebben. Zij huren een ontwerpbureau in en daarna gaat onherroepelijke de bezem erdoor. Er worden nieuwe stenen gelegd, de plantenbakken verdwijnen, de hanging baskets gaan terug naar de kwekerij. Maar lang duurt zo’n opschoning meestal niet. De reclameborden laat men uiteindelijk toch maar staan, de winkelstraatmanager versiert budget voor nieuwe bloembakken, de supermarkt biedt een leuke buurtbank aan. Het is de wereld van de weerbarstige winkelstraatwerkelijkheid.

Moeten we dan nog wel winkelstraten blijven vernieuwen? Ik denk het niet. Het is namelijk een misvatting dat het de openbare ruimte is die winkelstraten aantrekkelijk maakt of saai; het maakt niet uit, het zijn de winkels zelf die ertoe doen. In de saaie straten: de bekende ketens, voorspelbaar, standaard, schrale bediening, het constante gevecht met elkaar om het goedkoopste in plaats van om kwaliteit. En de aantrekkelijke? Opmerkelijk genoeg zijn dat vaak straten, waar nog een auto rijdt, een tram. Een straat met cafés, gemixt, straten met smalle stoepen; de Haarlemmer- en Utrechtsestraten van onze steden. Hier geen dichtgeplakte ramen, geen borden voor de deur (er is immers geen ruimte voor), geen hangende plantenbakken. Je komt er in smaakvolle interieurs, er is ruimte, er zijn verrassende en goede producten, de bediening is er hartelijk en professioneel.

En dan is er nog een andere ontwikkeling. In de oudere wijken van onze steden verschijnt nieuw type onderneming. Er wordt ambachtelijk gemaakt ijs verkocht, men importeert wijn, rechtstreeks uit Piemonte, iemand anders verkoopt olijven en olijfolie uit Griekenland, een Surinaamse mevrouw die toch al taarten bakte, opent haar eigen taartenwinkel. Verse handelsgeest, middenin de buurt, vaak niet eens in de geëigende winkelstraten, misschien wel op de plek waar vroeger de melkboer of de bakker zat. Als we die nu eens zouden koesteren, ruimte geven, laten groeien.

Wat te doen met de saaie winkelstraten en pleinen? Toch maar de bezem erdoor? Jazeker, maar niet door de straat, daar moet de bezem door de winkels.