Vrouwen geven meer zorg, komt de ‘opofferingsdochter’ terug?

Meer mensen met betaald werk geven mantelzorg aan hulpbehoevende ouders, vooral de oudere vrouwen onder hen. Na twee jaar melden die zich vaker ziek.

In een tehuis in Bergambacht geven familieleden mantelzorg. Foto HH Foto Werry Crone/Hollandse Hoogte

Nagels knippen, een boodschap doen, keukenkastjes soppen, mee naar de kapper of de huisarts, eten koken. Meer mensen met een betaalde baan zijn de afgelopen jaren mantelzorg gaan geven aan hun hulpbehoevende ouders of andere verwanten – al is het in de helft van de gevallen niet meer dan twee uur in de week. In 2004 deed 13 procent van de werkenden het, in 2012 was het 18 procent, bijna één op de vijf. In de tien jaren daarvoor bleef het percentage mantelzorgers onder werkenden gelijk.

Het zijn conclusies uit het rapport Concurrentie tussen mantelzorg en betaald werk van het Sociaal en Cultureel Planbureau, dat vandaag is verschenen. De stijging van het aantal mantelzorgers is het sterkst onder vrouwen van 45 tot 65 jaar en onder mensen met een werkweek van 28 uur of minder.

Mantelzorgers verlenen de hulp vooral in hun vrije tijd, ze gaan er niet korter voor werken. Na twee jaar wordt de kans dat ze langdurig ziek worden, langer dan twee weken, wel groter. Het verzuim gaat bij die groep van 11 naar 24 procent, vooral als de zorg zeer intensief is.

Edith Josten, 46 jaar en (nog) geen mantelzorger – „mijn ouders zijn gelukkig gezond” – is een van de onderzoekers. Ze heeft het in het rapport over het ‘opofferingskind’, meestal een dochter, die tot ver in de vorige eeuw al dan niet vrijwillig de zorg voor de ouders op zich nam. Tot 1961 hadden kinderen een wettelijke zorgplicht voor hun ouders. Voor die dochter was er geen ruimte voor een eigen leven of gezin, schrijft Josten. De overheid zag dat met ‘lede ogen’ aan: mantelzorg hield ongehuwde vrouwen weg van de arbeidsmarkt.

Nu de professionele hulpverlening steeds meer geld kost, wil de overheid graag meer informele inzet van haar burgers. Koning Willem-Alexander in zijn eerste Troonrede: „De klassieke verzorgingsstaat verandert langzaam maar zeker in een participatiesamenleving.”

Komt de ‘opofferingsdochter’ weer terug?

Edith Josten, na een korte aarzeling: „Nee, zo snel zie ik dat niet gebeuren. Het is veel te vanzelfsprekend geworden dat vrouwen werken, dat verandert niet meer zo maar. En er zijn ook mannen die mantelzorg verlenen. Ze verzorgen een zieke partner net zo vaak als vrouwen. Vrouwen doen vooral meer als het om hulpbehoevende ouders gaat.”

Waarom doen vrouwen het vaker dan mannen?

„Dat weten we niet precies, dat is op basis van een kwantitatief onderzoek lastig vast te stellen. Zien vrouwen eerder dat hulp nodig is? Voelen ze zich eerder verantwoordelijk om die hulp te geven? Wordt het meer van hen verwacht?”

Waardoor neemt het aantal werkende mantelzorgers toe?

„Deels is het een demografisch verschijnsel. Er zijn meer oudere vrouwen met een baan en door de vergrijzing zijn er ook meer oude mensen die zorg nodig hebben. Ze hebben die zorg ook langer nodig, omdat ze langer leven. Gezinnen zijn kleiner geworden, dus de zorg moet onder minder kinderen verdeeld worden. Maar deels zal het ook een effect zijn van overheidsmaatregelen. Sinds 2003 krijgen hulpbehoevenden met gezonde huisgenoten geen of minder vergoeding voor lichtere vormen van zorg. En sinds de gemeenten verantwoordelijk zijn voor de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) wordt nog nadrukkelijker aan mensen gevraagd wat ze zelf kunnen regelen. En misschien voelen mensen zich ook meer aangesproken omdat we het zo vaak over de participatiemaatschappij hebben.”

Moeten we blij zijn met de toename of is het iets om ons zorgen over te maken?

„Als mensen er langdurig ziek van worden, dan is dat zorgelijk. Dat was een van de redenen voor dit onderzoek: wat kun je van mensen vragen? Als ze mantelzorg geven omdat er onvoldoende formele zorg is, of omdat ze die zorg niet goed vinden, dan is dat ook zorgelijk. Maar als ze het doen omdat ze het graag willen en belangrijk vinden, dan niet natuurlijk. Op basis van dit onderzoek kan ik daar weinig over zeggen, we hebben mensen niet naar hun motieven gevraagd.”

Bij het SCP zijn er plannen voor vervolgonderzoek, onder andere naar die motieven, maar ook bijvoorbeeld naar de vraag wat hulpbehoevende mensen vinden van mantelzorg, of ze de informele hulp van hun kinderen willen ondergaan. Eind april zal het SCP een rapport publiceren over de verschillen tussen mannen en vrouwen in de hulp aan ouders en schoonouders.