Ondernemers, daar is wat te halen

De lasten op arbeid lager maken? Dat kan door ondernemers meer te laten afdragen

Belasting op arbeid verlagen, een eenvoudiger belastingsysteem en vermogens al dan niet hoger belasten. Over vooral deze drie aspecten gaat het debat over de herziening van het belastingstelsel. En richt zich daarbij op de vraag: hoe is de alom gewenste lastenverlichting te financieren? Moet die inderdaad komen uit hogere tarieven voor rijke Nederlanders of moet de overheid minder uitgeven?

Over één onderdeel van het belastingstelsel is tot nu toe nauwelijks gesproken. Dat is de manier waarop ondernemers worden belast. Of beter gezegd: de wijze waarop zij via de ‘fiscale box 2’ minder worden belast dan werknemers of kleine zelfstandigen. Morgen houdt de Tweede Kamer een hoorzitting over belasting herziening. Ook ondernemers schuiven aan.

Sinds de invoering van het boxenstelsel genieten ondernemers – in belastingtermen: directeur-grootaandeelhouders (dga’s) en ‘AB-houders’ (bezitters van een aanmerkelijk aandelenbelang) – veel financiële voordelen. Allereerst betalen ondernemers – bazen van eigen bedrijven maar ook advocaten, notarissen en andere dienstverleners met een eigen bv – zichzelf graag een zo laag mogelijk salaris. Dat scheelt inkomstenbelasting in box 1. Het salaris van de directeur-grootaandeelhouder mag van de fiscus niet lager zijn dan 43.000 euro. En dit zogeheten ‘gebruikelijk loon’ mag niet meer dan 25 procent afwijken van dat van een vergelijkbare functionaris in zijn bedrijf. Zolang dat onder het 42 procentstarief valt is het nog altijd gunstig ten opzichte van zijn werknemers die vanaf een jaarsalaris van 57.500 euro het toptarief van 52 procent inkomstenbelasting betalen.

Daarnaast betaalt een ondernemer in box 2 slechts belasting over zijn aandelenkapitaal als hij zichzelf dividend laat uitkeren of als hij zijn bedrijf verkoopt. Het huidige ‘AB-tarief’ bedraagt 25 procent. Als een bedrijf succesvol is en elk jaar meer winst maakt maar die winst niet wordt uitgekeerd, heeft de waardegroei van de zijn aandelen dus geen fiscale gevolgen voor de ondernemer.

Fiscale vrijplaats

De bedoeling van box 2, in 2001 onder PvdA-staatssecretaris Willem Vermeend ingevoerd, was om investeringen aan te trekken en dus economische groei en werkgelegenheid te stimuleren. Volgens critici is dat doel voorbijgestreefd. Robin Fransman, voormalig adjunct-directeur van het Holland Financial Center, windt zich in columns voor onder meer de financiële website Follow The Money al jaren op over de ongelijke behandeling van ondernemers. Box 2 is volgens hem verworden tot een fiscale vrijplaats voor rijke Nederlanders. „Box 2 wordt veel gebruikt om winst onbelast op te potten.” Geldzakvennootschappen, noemt hij dat. „Succesvolle ondernemers betalen door box 2 niet of nauwelijks belasting over de waarde van hun bedrijf en familiebedrijven kunnen erfbelasting ontwijken.”

En omdat over spaar- en beleggingstegoeden in box 3 jaarlijks 1,2 procent belasting wordt geheven, wordt er volgens Fransman ook veel kapitaal naar box 2 verplaatst. Op basis van recente CBS-cijfers vermoedt hij dat de rijkste 1 procent van Nederland over zeker 100 miljard euro aan bedrijfskapitaal geen belasting betaalt.

De commissie-Van Dijkhuizen schreef twee jaar geleden in opdracht van het vorige kabinet een uitvoerige studie voor een beter belastingstelsel. Zij kwam met een aantal aanscherpingen voor de fiscale behandeling van ondernemers in box 2. Peter Kavelaars, als hoogleraar fiscale economie lid van die commissie, zegt dat het belangrijkste motief voor aanpassingen van het ‘AB-regime’ voortkomt uit rechtvaardigheidsgevoel. „De fiscale voordelen die een dga ten opzichte van andere belastingbetalers heeft, zijn niet redelijk.” Hij doelt op drie categorieën: de werknemer die in box 1 al snel op een toptarief van 52 procent aan inkomstenbelasting zit. De zelfstandig ondernemer die geen eigen bv heeft – denk aan de slager op de hoek – en zijn winst volledig als inkomen in box 1 moet aangeven. En de belegger die over zijn aandelen in andere bedrijven in box 3 jaarlijks een vermogensrendementsheffing afdraagt, terwijl „een ondernemer heffing over dividendinkomen onbeperkt kan uitstellen”.

Het gebruikelijk loon van een dga moet volgens Van Dijkhuizen worden opgeschroefd: van de huidige 25 procent afwijking ten opzichte van een vergelijkbare functionaris tot 10 procent. Daarnaast beveelt de commissie een forfaitair rendement aan in box 2. Op basis daarvan zal een dga voortaan wél jaarlijks belasting op zijn aandelenkapitaal moeten betalen, ook als hij géén dividend uitkeert. De heffing wordt berekend met een fictief rendement, parallel aan het systeem dat de fiscus hanteert voor vermogen in box 3. Van Dijkhuizen stelt wel voor het tarief in box 2 te verlagen van 25 naar 22 procent. Als een ondernemer zijn bedrijf op den duur verkoopt zal zijn daadwerkelijk gerealiseerde boekwinst fiscaal worden verrekend met de afdrachten die hij dan al jaarlijks heeft gedaan. In wezen, legt Kavelaars uit, „halen we de belastingheffing slechts naar voren. Het is geen extra heffing.”

Extra smeergeld

Ondernemers voelen niets voor de voorstellen van Van Dijkhuizen. Die zouden het investeringsklimaat in Nederland aantasten en onwerkbaar zijn. „De positie van de dga moet niet worden uitgehold”, zegt een woordvoerder van werkgeversorganisatie VNO-NCW. „Geld moet in de onderneming blijven om ermee te kunnen investeren.” Wil Vennix, voorzitter van koepelorganisatie RB van belastingadviseurs in het midden- en kleinbedrijf, zegt dat het gros van de Nederlandse ondernemers niet of nauwelijks winst maakt. „Die kunnen zich dit soort hogere lasten helemaal niet permitteren.”

Voor de huidige staatssecretaris van Financiën, Eric Wiebes (VVD), zit er niettemin een aantrekkelijk budgettair voordeel in de voorstellen van Van Dijkhuizen. Beide aanscherpingen kunnen de schatkist jaarlijks ruim 1,8 miljard euro extra opleveren. Op het totaal van alle belastinginkomsten (een kleine 150 miljard) niet zoveel, maar wel goed bruikbaar om het benodigde ‘smeergeld’ op te hoesten dat nodig is om nadelige koopkrachteffecten uit de beoogde belastingherziening te compenseren. Het kabinet denkt daar 3 tot 5 miljard voor nodig te hebben.