Militaire doctrine is aan ons helaas niet meer besteed

Nederlandse veiligheidsleer moet meer zijn dan reactief van de ene crisis naar de andere zwalken, vindt Paul van Hooft.

illustratie nate beeler

De oorlog in de Oekraïne confronteert Nederland met het feit dat de veiligheid van Europa niet vanzelfsprekend is. Het had geen verrassing mogen zijn, maar al twintig jaar is de politieke wil afwezig om systematisch na te denken over de langetermijnstrategie van ons land. De woorden die bij een discussie hierover horen – macht, nationaal belang, doctrine – ontbreken of klinken onnatuurlijk.

Nederland heeft een aantal capabele strategen bij twee denktanks en enkele verdwaalde academici die kleine afdelingen kunnen aanspreken binnen de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie; afdelingen die overigens nog niet zo lang bestaan. Maar dit is te karig om een serieuze politieke consensus mee op te bouwen. Het beperkte strategische denkvermogen heeft concrete gevolgen voor ons buitenlands- en defensiebeleid.

Een voorbeeld: de regering schafte in 2011 haar laatste gevechtstanks af. Ook al legde het aantal tanks in absolute zin niet veel gewicht in de schaal, het bleek – gezien de gebeurtenissen in Oekraïne – toch vervelend voor het gezamenlijke Europese vermogen tot conventionele afschrikking.

De toen uitgesproken keuze voor een kleine gespecialiseerde krijgsmacht met een hoog kennisniveau die samen met de bondgenoten snel uitgezonden kon worden naar instabiele regio’s in Afrika en het Midden-Oosten, leek een acceptabele strategische afweging die Nederland meer waar voor zijn geld gaf.

Maar tegelijk werd er bezuinigd op de militaire opleidingen, op tactische luchtmobiliteit en ook op de strategische luchttransportcapaciteit.

Aan dat laatste is een chronisch tekort bij de Europese krijgsmachten, zoals het Europese Defensie Agentschap al meerdere malen heeft opgemerkt. De bezuinigingen ondermijnden in ieder geval het uitvoeren van de missies die bij het gekozen beleid horen. Het is moeilijk te beweren dat er aan het beleid een gerichte strategische afweging voorafging.

Nederland stond hier in Europa niet alleen in. De meeste Europese landen, met Polen als uitzondering, hebben de aard van de politieke ontwikkelingen in Rusland onderschat.

De recente oproep van de voorzitter van de Europese Commissie Jean-Claude Juncker om de ontwikkeling van een Europees leger verder op gang te brengen is daardoor alleen nog maar minder geloofwaardig. Los van het soevereiniteitsvraagstuk, is er in Europa als geheel geen politieke consensus over waar prioriteiten horen te liggen – zie niet alleen Rusland, maar ook de respons op de Syrische burgeroorlog en de Islamitische Staat.

Europese defensiesamenwerking is tot nu toe dan ook vooral gebruikt als nóg een verkapte bezuinigingsmaatregel, waarbij de lidstaten onderling nauwelijks samenwerkten over de keuzes.

De NAVO blijft de enige geloofwaardige optie voor de bescherming van Europa. Het militaire bondgenootschap is voor veel Europese denkers en militairen ook het enige forum geworden waar serieus over de toekomst van Europese veiligheid gesproken wordt.

De Europese afhankelijkheid van Amerikaanse materiële militaire capaciteiten was al sinds het einde van de Koude Oorlog overduidelijk. Maar door beperkte middelen zijn de meeste Europese landen nauwelijks in staat zelfstandig dreigingen te analyseren, prioriteiten te stellen en militaire doctrines te ontwikkelen.

Zeker de kleine landen halen hun ideeën uit de samenwerking binnen de NAVO. Dit geldt ook (hoewel in mindere mate) voor Groot-Brittannië en Frankrijk, de laatste twee Europese staten die enigszins zelfstandig kunnen opereren en strategisch denken.

Aangezien de VS de NAVO domineren, overheersen ook Amerikaanse strategische concepten en dreigingsanalyses. Waardoor op nationaal en Europees niveau het veiligheidsdebat in de EU nog verder afzwakt. De risico’s van materiële en intellectuele afhankelijkheid van de VS moeten niet worden onderschat; uiteindelijk zal de strategische aandacht van Washington naar Azië verschuiven.

Hoe precies om te gaan met de zeer verschillende dreigingen, met een snel veranderende machtsbalans en met Nederlandse en Europese afhankelijkheden is onduidelijk, maar deze fundamentele kwesties kunnen de komende jaren niet genegeerd worden.

Nederlandse veiligheidsleer moet daarom meer zijn dan reactief van de ene crisis naar de volgende zwalken; meer dan alleen bezuinigingen en technische discussies, meer dan alleen een keuze tussen conventionele afschrikking en interventies.

Het afgelopen jaar is het onveiligste sinds het einde van de Koude Oorlog – en eindelijk heeft het onderwerp weer de aandacht. Den Haag zou van het moment gebruik moeten maken om een langetermijnvisie en consensus op te bouwen.

Europese landen, en dus ook Nederland, hebben drie langetermijnbelangen. Ten eerste bescherming tegen dreigingen van buiten Europa, zoals Rusland en instabiliteit in de regio’s aan de grenzen van Europa.

Ten tweede veiligheid en vertrouwen tussen Europeanen; eeuwenlang een chronisch probleem, maar nu grotendeels tot stand gekomen door de Europese instituties en de NAVO.

Ten derde het voorkomen van overmatige afhankelijkheid van derde machten, zoals de VS, en het vergroten van Europese invloed buiten Europa.

Voor een klein en internationaal georiënteerd land als Nederland is het niet voorstelbaar dat het deze grote veiligheidsbelangen (en economische belangen) kan bereiken zonder goede relaties met en tussen sterkere staten in Europa.

De prijs daarvoor is het verlies van enige economische en militaire vrijheid. De belangrijkste vraag voor Nederlandse strategie is welk beleid zich het beste terugbetaalt voor dat verlies van vrijheid: de steun voor de trans-Atlantische relatie, voor de EU als institutie of voor een ander Europees alternatief.