Column

Bijzondere mensen

Mijn broer had nog maar één oog, dat we zijn ‘goede oog’ noemden, maar feit was dat hij daar ook steeds slechter mee zag. Dat merkte ik toen we afgelopen weekeinde samen naar ‘Puur’, de beste koffiewinkel van Velp en omstreken, wandelden. Even ontsnappen aan mijn moeder bij wie we, het kwam nooit voor, gelijktijdig logeerden. Hij extra wild zwaaiend met zijn blindenstok als er iemand naderde, ik aan zijn rechterkant, want dat moest van hem.

We hadden alletwee niet gestemd bij de verkiezingen. Ik omdat ik echt niet meer wist op wie nu weer, hij omdat hij het vertrouwen in politici had verloren. Dat regeringspartijen in de campagne hadden gezegd dat de crisis bijna voorbij was, was de druppel geweest.

„Voor mij niet”, zei hij.

Dat de pedicure uit de verzekering was gehaald kon hem, als diabetespatiënt, op den duur een been kosten.

„Dat is goedkoper voor ze dan dat ze iedere week naar mijn voeten kijken.”

De bezuinigingen hadden er zo hard in gehakt dat hij inmiddels medelijden had met de zorgverleners die zoveel last hadden van de werkdruk dat ze soms echt even moesten bijkomen. Er waren er die hem het doemscenario van gedwongen mantelzorg schetsten, maar die had hij met de feiten om de oren geslagen.

„Ik heb een broer in Amsterdam”, had hij over mij gezegd, „die kan ik wel gaan bellen met ellendige verhalen, maar die komt toch niet”.

Toevallig had ik een dag eerder een mail gehad van een journaliste die me voor het mij onbekende tijdschrift Lotje&Co wilde interviewen over ‘het gezinsleven met een bijzonder kind, zonder zieligdoenerij, maar wel eerlijk en open. En liefst met een vleugje zelfspot’. In een bijlage zat een interview met ex-FC Twente-keeper Sander Boschker, wiens zus het syndroom van Down heeft.

„Dikke lul, dat doen we echt niet”, was nog het vriendelijkste wat mijn broer zei toen ik hem erover vertelde. Daarin vonden we elkaar dan, in de gedeelde afkeer van dat soort verhalen over ‘bijzondere mensen’ en hoe ‘gewone mensen’ met ze omgaan.

„Gewone mensen zijn echt heel aardig”, zei mijn broer, „behalve dan als je ze tegenkomt in de Primark. Daar lopen ze je met blindenstok en al omver.”