Eerherstel voor onzichtbare Heesen

Weinig bekende auteur Martha Heesen krijgt driejaarlijkse oeuvreprijs, de P.C. Hooftprijs voor de jeugdliteratuur.

Heesen schreef een „oeuvre met een enorme zeggingskracht”, aldus de jury. Foto Robin Utrecht

Het werk van Martha Heesen is het stille maar eigengereide meisje van de jeugdliteratuur. Gemakkelijk over het hoofd gezien, maar ten onrechte. Ze loopt misschien niet met zichzelf te koop, maar als je haar ziet staan maakt ze indruk.

Van alle laureaten van de Theo Thijssen-prijs is Heesen (1948) vermoedelijk de minst bekende. Niet zo zichtbaar ook, als voorgaande winnaars Sjoerd Kuyper en Ted van Lieshout, en ook niet zo vaak bekroond. Nooit won ze een Gouden Griffel, zelden prijkt haar naam op een lijstje met belangrijke jeugdauteurs. In de nieuwe jeugdliteratuurgeschiedenis Een land van waan en wijs wordt ze slechts eenmaal genoemd, in een bijzin. Als schrijver van boeken waarin fantasie gebruikt wordt „als strategie om het leven aan te kunnen”.

Haar eerherstel kwam met de hoofdprijs: vanochtend werd bekend dat Heesen de Theo Thijssen-prijs ontvangt, de driejaarlijkse oeuvreprijs ter waarde van 60.000 euro, de jeugdliteraire evenknie van de P.C. Hooft-prijs. Al is haar werk dan vooral bekend in kleine kring, Heesen schreef een breed, eigenzinnig oeuvre bijeen, van een constant hoog literair niveau.

Heesens positie in de luwte lijkt nog het meest een gevolg van haar werk: ze schrijft nuchtere boeken over dromerige kinderen. Boeken die niet pronken, personages die niet schreeuwen maar zich door het leven heen tobben en weifelen. Ze fantaseren, inderdaad, als strategie om opgewassen te zijn tegen het leven, dat geplaagd wordt door ouders met eigen zorgen, en door wetten die tussen droom en daad staan.

Doordat Heesen haar verhalen altijd vertelt vanuit haar jonge personages met een rijke binnenwereld, weet een lezer dat er genoeg in hen omgaat. Maar gevoelens komen vervolgens hoogstens tot uiting in geestig gemopper of stille gedachten. ‘En hoe het eigenlijk komt, wil ik ook vragen, dat ik onze moeder alleen maar kan zien als een berg dekens, zonder gezicht erboven, wel een hand en haar haar, maar niet haar gezicht’, laat Heesen Julia, hoofdpersoon in Bajaar (2011), denken – maar niet zeggen. Groot drama voltrekt zich zelden op Heesens bladzijden, maar vaak wel net ernaast.

Martha Heesen begon relatief laat met publiceren. Na een jeugd in Brabant en een studie Nederlands in Amsterdam werkte ze als vertaalster uit het Engels en debuteerde in 1993 met een kinderboek, op 45-jarige leeftijd. In ruim twintig jaar volgden er een kleine twintig boeken. Ze geldt als ‘literair’ kinderboekenschrijfster, geen auteur met wie kinderen massaal weglopen – en ze is ook altijd eigenzinnig genoeg geweest om daar niet mee te zitten. „Het wordt steeds meer elitair gevonden om je met iets moois bezig te houden”, zei ze enkele jaren geleden in een interview. „Een goed boek is dan zoiets als het Amsterdam-Zuidmeisje dat naar vioolles moet. En dat wordt afgewezen.”

Evengoed is de waarachtige kinderlijke blik van Heesens personages onmiskenbaar, en al even onmiskenbaar is dat deze toon Heesen het beste past. Maar je moet houden van tussen de regels lezen. Die suggestieve kracht is misschien wel het grootst in Toen Faas niet thuiskwam (2003), de in Vlaanderen bekroonde novelle die je haar magnum opus zou noemen als het niet zo dun was. Het vertelt over een jongen die de gevoelens van zijn ook al moederloze gezin gijzelt – en zijn oudere broer vertelt over de ongrijpbare gebeurtenissen van een bepalende dag, een jaar geleden. Het balt de terugkerende thema’s in Heesens oeuvre krachtig samen: een ingewikkelde familie, een invloedrijk verleden, verhuld zeer.

Die elementen zaten ook in Bajaar (2011), dat de Gouden Lijst voor het beste jeugdboek kreeg. Die roman luidde ook een volgende stap in haar oeuvre in, zoals haar koers eerder luchtiger was geworden, met bijdehantere hoofdpersonen als het uitvindertje Carl in Watson (2007). In Bajaar en haar laatste Biezel (2014) schreef ze over het Brabantse land van haar jeugd, en over meisjes – tot dan toe waren haar personages vooral jongens geweest. Dat ging vanzelf zo, zei ze in 2000 in deze krant: „Een meisje denkt steeds: wat voor indruk maak ik, wat vindt iedereen van mij. Jongens hebben meer de ruimte. De literatuur biedt een zee van jongetjes. Woutertje Pieterse, Kees de jongen. Dat is niet zomaar.”

Maar ze schrijft nu toch over meisjes – Heesen is nog niet klaar. Het meisje is klaar om uit de luwte te treden.

    • Thomas de Veen