Buena Vista Social Club leeft, ondanks de dood

Het nieuwe ‘ratjetoe’-album van Buena Vista Social Club bevat twee verloren nummers uit 1996. Is deze plaat het begin van hun derde jeugd?

Omara Portuondo treedt op met Buena Vista Social Club in Polen, 2012 Foto JAKUB KACZMARCZYK/EPA

Tijdens de legendarische eerste opnamesessie van Buena Vista Social Club in Havana werden door de bejaarde Cubaanse muzikanten (onder leiding van Ry Cooder) meer nummers opgenomen dan uiteindelijk op plaat verschenen. Dat eerste album zou wereldwijd negen miljoen keer over de toonbank gaan. Nu, bijna twintig jaar later, komen twee ‘nieuwe’ songs van die sessie uit op Lost and Found. De rest van die plaat bestaat uit een ratjetoe van ‘verloren’ tracks van de vele soloprojecten en concerten die volgden. Het is een wat schizofreen album dat zodoende het fenomeen ‘Buena Vista’ goed samenvat.

De rehabilitatie van vergeten Cubaanse sterren was eind jaren negentig een toevalstreffer. Midden in de roos. De oudjes bleken te voldoen aan een behoefte bij het westerse publiek. Buena Vista klonk nostalgisch maar niet ouderwets, de muziek was exotisch maar niet obscuur. Het werd de ideale soundtrack voor feestjes waarop keuvelen en dansen elkaar afwisselden, maar naarmate het project groeide, werd het steeds meer een melkkoe.

De platenmaatschappij suggereert dat er ‘verloren’ tracks van de originele sessie zijn gevonden. In werkelijkheid gaat het dus om twee van de veertien nummers op Lost and Found. Het past in de strategie: als Buena Vista Social Club de platenmaatschappijen iets leerde, dan was het dat je een album dat ver buiten de mainstream ligt moet verkopen met een goed verhaal. Dat verhaal werd in 1999 prachtig verteld in een documentaire van regisseur Wim Wenders over de Cubaanse oudjes die op internationale podia aan een tweede jeugd begonnen. Het zorgde voor een vraag naar meer klassieke Cubaanse son. Er volgden soloprojecten en tours in uiteenlopende samenstellingen. De haast was begrijpelijk gezien de leeftijd van de hoofdpersonen, maar leek ook ingegeven door dollartekens.

Zangeres Omara Portuondo toert nog altijd, maar inmiddels zijn de meest aansprekende Buena Vista-leden overleden. Meestergitarist Compay Segundo stierf in 2003, leadzanger Ibrahim Ferrer in 2005.

Enkele studio-opnames doen wel denken aan de kracht van die eerste kennismaking. ‘Habanera’ leunt op klassiek trompetspel van Manuel Guajiro en ‘Macusa’ uit 1996 is een Cubaanse son van Compay Segundo en Eliades Ochoa, die ook tekenden voor de hit van het originele album: ‘Chan Chan’.

Volgens labelbaas Nick Gold is het aan de techniek van de Amerikaanse rootsmuzikant en toenmalig projectleider Ry Cooder te danken dat er nog bruikbare opnames bewaard zijn gebleven uit 1996. „Je moet bedenken dat de opnames analoog gingen. Wat uiteindelijk op plaat kwam, had door zijn opstelling van microfoons nauwelijks bewerking nodig. Maar we lieten constant een DAT-recorder meelopen – zo kun je ook nog terughoren hoe sommige nummers tot stand kwamen.” ‘Verloren’ kun je de tracks dus niet noemen.

Het overrompelende effect van het eerste Buena Vista-album haalt deze nieuwe cd bij lange na niet. Als het verhaal eenmaal verteld is, worden nieuwe hoofdstukken steeds vaker bijlagen, studiemateriaal. De solide basis van Buena Vista zorgt ervoor dat elk nummer makkelijk de moeite waard is, maar op dit album geen nieuwe ‘Chan Chan’ die je de komende jaren op elk tuinfeestje zal horen.