Beschermheilige van boekhandels

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

De hele wereld viert op 14 maart π-dag, maar in Princeton is het vooral Einsteins verjaardag. De stad is vandaag gevuld met kinderen met witte krullenpruiken, speelgoedpijpen en opplaksnorretjes.

Mijn vriendin heeft weinig oog voor al die schattige mini-Einsteins. „Weet je”, zegt ze, „14 maart is ook de verjaardag van Sylvia Beach. Maar niemand denkt vandaag aan haar, terwijl ze hier toch opgroeide. Haar hele leven werd ze overschaduwd door grote mannen, en nu ze dood is gebeurt dat nog steeds.”

Beach en Einstein, twee revolutionairen van de twintigste eeuw, waren generatiegenoten. Hij was een man van cijfers, zij een vrouw van woorden. Op oude foto’s krabbelt Einstein formules op een schoolbord; Beach zit met haar neus in manuscripten. Einstein praat met Bohr, Ehrenfest en Lorentz; Beach is in gesprek met Hemingway, Fitzgerald en natuurlijk Joyce, de getormenteerde schrijver met zijn ooglapje.

De Amerikaanse Sylvia Beach was veertien toen haar vader, een presbyteriaanse predikant en vertrouweling van twee Amerikaanse presidenten, in 1902 werd uitgezonden naar Parijs. Zij viel meteen voor de lichtstad. Terug in Princeton, droomde ze van een eigen boekhandel. In 1919 was het zover. In Parijs, op de linkeroever, opende ze haar Engelstalige boekhandel. Ze noemde deze Shakespeare and Company, een naam die in een droom tot haar kwam.

Sylvia’s boekwinkel, annex bibliotheek, ontmoetingshuis, slaapplaats en bank van lening, was een spin in het literaire web van de Lost Generation, de groep Amerikaanse schrijvers die, ontgoocheld door de Eerste Wereldoorlog, al worstelend hun geluk en idealen in Parijs zocht. Onder hen James Joyce. Hij zocht een uitgever voor zijn revolutionaire manuscript Ulysses dat in de VS en Engeland verboden was wegens obsceniteiten. Sylvia, zeer onder de indruk van het werk, schraapte genoeg geld bij elkaar om het manuscript zelf uit te geven, ook al ging haar boekhandel er bijna aan failliet. Vrienden smokkelden stukken tekst in hun koffer naar Engeland en Amerika. Uiteindelijk wist ze het manuscript aan een Amerikaanse uitgever te verkopen – en de rest is geschiedenis. Ulysses wordt nu gezien als een monument van de westerse cultuur. Overigens verzweeg Joyce voor haar dat hij een vorstelijk voorschot ontving. Ze zag er nooit een cent van.

„Ik zal je iets bijzonders laten zien”, zegt mijn vriendin. We gaan naar de afdeling bijzondere objecten van de universiteitsbibliotheek. Ze opent een la en plotseling ligt daar het originele uithangbord van Shakespeare & Co. Aan de ene kant staat de naam, aan de andere kant een portret van Shakespeare, met een veer en een velletje papier. Het bord is ontroerend in zijn eenvoud.

„Geschilderd door de zus van haar minnares”, vertelt ze. „Tot drie keer toe, omdat het telkens gestolen werd. Na die laatste keer haalden ze het elke avond binnen.”

Beach liet al haar brieven, boeken en bezittingen aan Princeton na. Ze wilde hier ook begraven worden. Mijn vriendin wijst in de richting van het kerkhof. „Kom, laten we haar gedag zeggen op haar verjaardag.”

Onderweg krijg ik een bal tegen m’n hoofd van twee voetballende meisjes met verwarde haardos en snorretjes. Met onze kragen omhoog lopen we over de krokussen, die hun kopjes opsteken tussen de laatste restjes sneeuw. Dan vinden we het graf van Sylvia Beach. Voor de verweerde steen ligt een vers boeket paarse bloemen.

Het is π-dag vandaag, maar ik herdenk de beschermheilige van alle boekhandels met een espresso, croissantje en mijn verkreukelde exemplaar van Ulysses.