Antidepressivum is geen wonderpil

Positieve resultaten van onderzoek naar antidepressiva worden veel vaker gepubliceerd dan negatieve.

Wie alleen de wetenschappelijke literatuur leest, zou kunnen geloven dat bepaalde antidepressiva (de zogeheten serotonine-heropnameremmers, ssri’s) welhaast wondermiddelen zijn tegen uiteenlopende angststoornissen. Liefst 96 procent van de gepubliceerde studies naar de werking van ssri’s tegen angststoornissen is positief. Maar in werkelijkheid zijn de middelen veel minder effectief, concludeert een team van onder meer Groningse onderzoekers vandaag in het medische tijdschrift JAMA Psychiatry.

De onderzoekers vergeleken gepubliceerde literatuur met het onderzoek dat geneesmiddelenfabrikanten hadden aangeleverd voor de registratie van de middelen bij de Amerikaanse geneesmiddelenautoriteit FDA. Die onderliggende studies voor negen verschillende antidepressiva tegen vijf verschillende angststoornissen bleken veel minder jubelend: nog geen driekwart (72 procent) was positief. Bij elkaar is het effect van ssri’s in de openbare literatuur 15 procent zonniger voorgesteld, schrijft het team; eerste auteur is Annelieke Roest.

„Het is vrij ernstig dat de medische literatuur niet helemaal klopt”, zegt haar begeleider, hoogleraar psychiatrische epidemiologie Peter de Jonge (Rijksuniversiteit Groningen). „Een arts die een patiënt onder behandeling heeft, zal op het verkeerde been worden gezet. Niet alleen is de balans zoek doordat negatieve studies ontbreken; ook bleek er in een aantal gevallen een draai gegeven te zijn aan de uitkomsten, waardoor in de samenvatting van het onderzoek een vertekend beeld ontstond.”

Ssri’s behoren tot de top-vijf meest voorgeschreven medicijnen. Ze worden zelfs vaker voorgeschreven tegen angststoornissen dan tegen depressie. Meer dan een miljoen Nederlanders slikken deze medicijnen.

De Jonge werkte samen met onderzoeker Erick Turner van de Oregon Health and Science University in Portland. In 2008 waarschuwde Turner al in The New England Journal of Medicine voor het rooskleurige beeld in de wetenschappelijke literatuur van de werkzaamheid van ssri’s tegen depressie. De Jonge: „Toen wij destijds zijn conclusies zagen, dachten wij: dat is een knaller, dit zet de hele psychiatrie op zijn kop en zal leiden tot nieuwe behandelrichtlijnen. Maar je hoort er weinig meer over: het is een stille dood gestorven.”

De nieuwe publicatie bevestigt wel dat het om een algemeen probleem gaat. De Jonge: „Psychiaters moeten wat bescheidener zijn in wat zij voor patiënten kunnen bewerkstelligen.”