Als politieman schaam je je soms diep

Michiel Princen werkte tien jaar als rechercheur bij de Amsterdamse politie en schreef een boek over die tijd. De politie is geen partij voor de georganiseerde misdaad, zegt hij. Veel politiemensen zijn volgens hem ongemotiveerd en ongeïnteresseerd.

Foto ANP foto SANDER KONING / ANP

Af en toe vergist hij zich nog. Dan heeft Michiel Princen (47 jaar) het tijdens het gesprek opeens over „wij van de recherche” terwijl hij al meer dan een jaar geleden vertrok als financieel rechercheur bij de Amsterdamse politie. Na tien jaar nam hij er totaal „ontgoocheld” over het gebrek aan slagkracht ontslag. Zijn ervaringen heeft hij te boek gesteld in De gekooide recherche, dat vandaag verschijnt.

De ondertitel van het boek rept nog vriendelijk over „de matige prestaties van de Nederlandse opsporing”. Maar de inhoud zelf is minder eufemistisch. Bij de Nederlandse recherche is sprake van „een tekort aan intelligentie”. Rechercheurs zijn volgens Princen opvallend vaak uitgebluste en cynische mannen van middelbare leeftijd. „De frontsoldaten van de rechtsstaat” zijn pover opgeleid en nauwelijks opgewassen tegen het geboefte dat ze moeten bestrijden. „Soms schaam je je diep voor de manier waarop wij als politie met een aangifte zijn omgesprongen”, verzucht Princen halverwege zijn boek.

In 2004 stapte Princen – tot dan toe werkzaam als journalist bij onder meer De Telegraaf en FEM Business – over naar de Amsterdamse financiële recherche (zeventig man). „Ik wilde niet langer aan de rand van de dansvloer staan kijken, maar écht impact hebben”, zegt hij. Princen kon aan de slag bij, zoals Amsterdamse rechercheurs het zelf noemden, de „Champions League van de Nederlandse politie”. Maar na een decennium te hebben doorgebracht op het Amsterdamse hoofdbureau van politie is de conclusie van Princen een geheel andere. De strijd van het opsporingsapparaat tegen de georganiseerde misdaad is die van IJsselmeervogels tegen Real Madrid. „De misdaad is georganiseerd, nu de politie nog”, aldus de mening van een collega die Princen instemmend aanhaalt.

400.000 mensen zijn onvindbaar

De vertrokken rechercheur heeft schitterende dingen meegemaakt bij de politie. „Het is heerlijk als na een analyse opeens de kwartjes gaan vallen.” Hij vertelt enthousiast over het onderzoek naar de bankier van de onderwereld, Willem Endstra, die door Willem Holleeder werd afgeperst. Hij droeg ook bij aan de veroordeling van kasteelheer Jan-Dirk Paarlberg wegens witwassen. Maar het zijn volgens Princen uitzonderlijke successen in een wereld waar door een gebrek aan efficiency veel misgaat.

Een van de grootste problemen voor de politie is dat de slimme crimineel zich in de bovenwereld vrij eenvoudig „volmaakt onzichtbaar” weet te maken. Hij laat zich uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie zonder opgave van nieuwe bestemming. „Er kan, als gevolg daarvan, ook geen contact worden opgenomen met de burgerlijke stand of met de fiscus in het betreffende land voor de overdracht van de belastinginning. Databanken communiceren nu eenmaal onvoldoende met elkaar”, aldus Princen. Liefst 400.000 Nederlanders zijn op die manier administratief onvindbaar. „Het is een vorm van jezelf wegtoveren. Hier lopen rechercheurs doorlopend tegenaan, in alle onderzoeken.”

Komt iemand wel als verdachte in beeld, bijvoorbeeld omdat er aangifte wordt gedaan, dan lijkt het wel of de politie vooral op zoek gaat naar een reden om een zaak níet op te pakken. „Het is één grote survival of the fittest op de route van aangifte naar aanpak. In die ongecontroleerde afvalrace is een zaak al snel te klein óf te groot”, zegt Princen.

Via de interne fraude- en security-afdelingen van grote bedrijven, banken en verzekeringsmaatschappijen krijgt de recherche vaak panklare dossiers over oplichters aangeleverd, maar wegens „capaciteitsproblemen” gebeurt er meestal niets mee. Hetzelfde geldt voor aangiften van faillissementsfraude, subsidiefraude, acquisitiefraude, phishing en Nigeriaanse e-mailzwendelaars. „De argumenten om iets niet te doen zijn talrijk en winnen het in overleg en op de werkvloer met de ogen dicht van de argumenten om het wél te doen.”

Websites met sportschoenen

Princen zegt te hebben gemerkt dat „het niveau van de recherche gewoon te laag is. En als gevolg daarvan de kwaliteit”. Op de werkvloer heerst een „ouwejongenskrentenbroodsfeertje”, want chefs komen te veel uit de eigen gelederen voort. De overgrote meerderheid blijft er werken tot aan het pensioen, de lifetime employment wordt gekoesterd.

„Het zorgt voor een interne gezelligheidscultuur die onvoldoende wordt beteugeld.” Rechercheurs luisteren op het bureau naar luidruchtige diskjockeys en kijken veelvuldig naar „websites met auto’s, sportschoenen of vakantieveilingen”. Serieuze kranten gaan dagelijks met stapels tegelijk „onaangeroerd en ongelezen” de papierbak in. „En ondertussen zijn te veel rechercheurs niet up-to-date binnen hun eigen onderzoek.”

Het probleem voor de matige opsporing is overigens niet een gebrek aan opsporingsmiddelen. Er zijn bevoegdheden genoeg. Er kan getapt worden, bankafschriften kunnen worden ingezien, huizen kunnen worden doorzocht, mensen geobserveerd en zelfs infiltratie is mogelijk, merkte Princen. „De wettelijke toverdoos is nagenoeg onuitputtelijk.”

Hij zegt dat van alle rechercheurs slechts 20 procent „echt volle bak aan het werk is”. De overige collega’s zijn op cursus, zitten thuis met studieverlof, doen schietoefeningen, worden voor een andere klus ingezet, hebben een papadag, zijn op vakantie of gewoon ziek. In december of in de zomer laten rechercheurs zich „collectief uitroosteren”, zegt Princen. „Het grootste probleem van de politie is de cultuur binnen de politieorganisatie. De interne kennis en mankracht worden steevast ruimschoots onderbenut.”

De huidige omvorming tot één nationaal korps, met als doel de politie efficiënter te laten opereren, schiet haar doel voorbij. „Die reorganisatie maakt het voorlopig alleen maar erger. De politieorganisatie is compleet verzuurd en is nog meer naar binnen gericht dan ze al was.”

Het opsporingswerk wordt ook nog eens bemoeilijkt door tekorten bij het Openbaar Ministerie. Er zijn eenvoudigweg te weinig officieren van justitie, dus „zij moeten heel erg puzzelen met hun tijd”. Het komt volgens Princen regelmatig voor dat rechercheurs kant-en-klare dossiers van een jarenlang onderzoek bij het OM „in een soort Bermudadriehoek” voorgoed zien verdwijnen. ‘Ach, je was toch mooi van de straat al die tijd’, zeggen rechercheurs dan ironisch tegen elkaar om de moed erin te houden.”

In de grote strafonderzoeken wordt de politie bovendien ernstig gehinderd door een aantal bekende strafpleiters. „Ze proberen voortdurend met nieuwe onderzoekswensen zand in de machine te gooien”, zegt Princen. Dan roepen ze bijvoorbeeld tientallen getuigen op om bij de rechter-commissaris te worden gehoord of ze adviseren cliënten om vlak voor de behandeling van de strafzaak van advocaat te wisselen. Allemaal tactieken die uitstel en dan mogelijk afstel beogen. „Tegen de verschroeiende en soms dubieuze uitputtings- en sabotagetactieken van de verdediging is de strafrechtketen volstrekt onvoldoende bestand.”

Maar ergerlijker vindt hij de illegale sabotagetechnieken. „Er zijn ook advocaten die zeer waarschijnlijk vervalste documenten ter zitting inbrengen terwijl ze dat redelijkerwijs hadden kunnen weten. Sommige advocaten spelen bewust een facilitaire rol en helpen mee om criminele geldstromen achteraf een legaal voorkomen te geven. De Orde van Advocaten zou zich daar zorgen om moeten maken.”

Collega’s moedigden hem aan

Princen zegt bij het schrijven van zijn boek te hebben opgelet dat hij geen onderzoeken kapotmaakt. Hij noemt vaak man en paard, maar dan gaat het om strafzaken die zijn afgesloten. Bij de politie zijn ze het afgelopen jaar – nadat op de website van de uitgever het boek werd aangekondigd – wel bezorgd geraakt over zijn werk als schrijver. „Een voormalige leidinggevende belde me om te vragen waarover ik nu precies aan het schrijven was”, zegt Princen. Toch kreeg hij naar eigen zeggen het afgelopen jaar vooral veel aanmoedigingen van zijn oude politiecollega’s om het allemaal maar goed op te schrijven. „Want zij kunnen zelf publiekelijk niet vertellen wat er allemaal mis is.”

In december 2013 schreef Princen een uitvoerig gemotiveerde brief aan de Amsterdamse politiechef Pieter-Jaap Aalbersberg waarin hij zijn ontgoocheling verwoordde en ontslag vroeg. Het ontslag werd verleend, maar Aalbersberg heeft nooit geantwoord of anderszins laten blijken interesse te hebben in een onderhoud met de gefrustreerde rechercheur. „Het is tekenend voor de politiecultuur”, zegt Princen. „Chefs reageren met dooddoeners op kritiek. Ze zien het als negativiteit. Er zijn bij de politie te veel lange tenen.”