Weer verloren. Je moet het leuk vinden om bij Push te spelen

De zestien Brabantse jongens van hockeyclub Push verloren dit weekend weer, zoals gewoonlijk. De spelers van Push spelen ieder weekend tegen wereldtoppers, maar krijgen als enigen in de hoofdklasse geen salaris. Sinds vorig jaar betalen ze zelfs weer contributie.

De kleedkamer bij de Bredase hockeyvereniging Push, dat zich met bescheiden financiële middelen staande probeert te houden in de hoofdklasse. Foto Merlin Daleman

Groene rookbommen. Een spandoek dat The Green Machine aanmoedigt. Joelende fans, biertje in de hand, die de spelers proberen op te zwepen. Daarin wijkt Push niet af van andere hockeyclubs in de hoofdklasse.

Maar toch is Push anders: zestien Brabantse jongens die wekelijks strijden tegen gelouterde internationals, cornerspecialisten met olympische medailles, en wereldkampioenen. Oneerlijke gevechten zijn het, ver van de glamour van de play-offs, of de Euro Hockey League, en buiten het zicht van de camera’s van Studio Sport. „Die gaan alleen naar de echte topclubs”, weet verdediger Ard Seelen.

Slechts één puntje uit zeventien wedstrijden, en maar liefst 77 tegendoelpunten: dat gebeurt als een hoofdklasser geen geld uitgeeft aan spelerssalarissen, als enige. Sterker: sinds vorig jaar int Push gewoon weer contributie bij de selectiespelers. „Ja, je moet het leuk vinden om bij Push te spelen”, zegt coach Herman Kruis.

Frustrerend is het soms, zeker als het verschil zo klein is als gisteren in de thuiswedstrijd tegen Pinoké, dat heel moeizaam won (3-4). Maar Push doet niet mee aan de financiële ratrace in het Nederlandse tophockey.

Kruis, die met de vrouwen van Den Bosch acht keer landskampioen werd en acht Europa Cups won, kwam drie jaar geleden naar Breda om de jeugd voorrang te geven. Push heeft volgens Kruis met zo’n 1.700 junioren de grootste jeugdopleiding van het land. Bij clubs als Bloemendaal, Den Bosch en Oranje-Zwart loopt „een half elftal” rond van hockeyers die bij Push zijn opgeleid.

Geen rijke mensen die betalen

Deels is de keuze voor de jeugd noodgedwongen, erkent Kruis. „Push heeft geen geld, geen rijke mensen die zeggen: ik betaal het wel – de luchtbel van Laren. Maar ik geloof in de jeugd. Ik zou willen dat alle clubs dit deden.”

Maar de realiteit is anders. Jaarsalarissen van tienduizenden euro’s zijn normaal geworden voor tophockeyers uit Nederland, Australië, Argentinië, België of Nieuw-Zeeland. Vrijwel alle hoofdklasseclubs raakten de afgelopen jaren in de problemen.

Kruis wordt weer „witheet” als hij begint over medekoploper Kampong, dat zijn spelers halverwege de competitie vroeg een deel van het loon in te leveren omdat er te weinig geld was. „Je reinste competitievervalsing. Ik zal je vertellen: Push heeft volgend jaar de beste vier spelers van de wereld – we geven ze allemaal een Rolls Royce. En als we dertig punten hebben zeggen we: ‘Sorry, het wordt een Solex.’ Ze kunnen toch geen kant uit.”

Kruis, hockeycoach en manager van het Johan Cruyff College Roosendaal, hekelt de kortzichtigheid die het hockey al jaren in zijn greep houdt. „Als wij al het geld dat we nu in de jeugdopleiding steken uitgeven aan heren 1 om maar in de hoofdklasse te blijven gaat je hele opleiding naar de kloten. Dat doen wij dus niet.”

En dus spelen de mannen van Push met een budget dat volgens Kruis ongeveer overeenkomt met het jaarsalaris van Kampong-vedette Robbert Kemperman, naar verluidt zo’n 75.000 euro. „Ik gun het die spelers van harte, maar je moet wel je zaken op orde hebben.”

Geen Belgische corner dus in Breda. Dan maar harder trainen. „Op woensdagochtend staan Floris Wortelboer en Xander van Gorp al om 7 uur de corner te trainen, voordat ze op hun fietsje naar school gaan. Er is geen één international die hen dat nadoet.”

Dat is het voordeel van de jeugd. Toen Kruis in 2012 aantrad als coach liet hij de selectie weten dat hij vijf keer per week ging trainen. „Twaalf spelers zeiden meteen: dan stoppen we. Bestuur in paniek. Maar ik wilde met een jong team in drie jaar naar de hoofdklasse proberen te gaan. Dat gebeurde alleen een jaar te vroeg. We hebben tien jongens onder de 21 jaar.” Om een idee te geven: aan het begin van het seizoen had alleen aanvoerder Hugo van Mol ervaring in de hoofdklasse.

Maar van een grafstemming is geen enkele sprake bij Push. „Natuurlijk is het soms lastig de motivatie vast te houden”, zegt verdediger Seelen. „Maar we wisten dat het moeilijk zou worden. Tegelijkertijd heeft het zijn charme om het met je eigen team te proberen in de hoofdklasse. De meesten spelen al van jongsaf aan bij Push. En we spelen tegen de top van de wereld, met spelers als Tom Boon. Als verdediger kun je daar alleen maar van dromen.”

Kruis wil vooral leren met zijn ploeg. Hij bewondert zijn spelers om hun enthousiasme, ook al staat de degradatie al vrijwel vast. Push zal volgend seizoen niet veranderen, bezweert Kruis. „Bij de evaluatie van de eerste seizoenshelft in november sprak de kern van de selectie al uit dat ze hoe dan ook verder willen, degradatie of niet. Op één voorwaarde: dat ik ook zou blijven. Ik blijf dus.”

Talenten worden weggekocht

De club hoopt op de langere termijn ook de talenten te behouden, maar makkelijk is dat niet. „Ze worden gewoon weggekocht door de clubs uit de topvier”, zegt Kruis. „Die zeggen: je moet nú overstappen, anders kom je niet meer in Jong Oranje.”

Een gevaarlijke trend voor het tophockey, vindt Kruis. „Als een jonge speler overstapt naar Kampong of Oranje-Zwart, gaat er weer een leider verloren. Tussen al die internationals hoef je als jongere je leiderschapskwaliteiten niet meer te ontwikkelen. Je zag het zelfs op het WK, vorig jaar in Den Haag. Misschien zeg ik iets heel lelijks, maar bij de Nederlandse heren mis ik het echte leiderschap.”