Prog-rock met panoramische vergezichten

Of Montreal foto robert altman/polaris/hh

Aan de periferie van de popcultuur bevindt zich een genre voor fijnproevers: progrock. De ‘progressive rock’, ontstaan in de jaren zeventig, gold als intelligent en virtuoos, en werd uitgevonden door bands als King Crimson en Genesis. De naam ‘progrock’ kreeg al snel concurrentie van de benaming art-rock, en vervolgens werden beide door elkaar gebruikt. De genres overleefden alle muzikale ontwikkelingen; een band als Porcupine Tree verkoopt nog altijd muziekhallen uit.

Progrockmuzikanten spelen graag lange nummers met uitvoerige gitaarmonologen, waarbij de geijkte structuur van de popsong wordt ingeruild voor een associatieve afwisseling van thema’s. Uit de teksten spreekt een voorliefde voor fantasy, de oude Grieken en gotische motieven.

Zo blijkt op de vierde, in progressieve kringen jubelend ontvangen solo-cd van zanger/gitarist Steven Wilson, voorman van Porcupine Tree (dat tijdelijk niet actief is): Hand.Cannot.Erase. Het eist tijd de muziekstukken te doorgronden. Wilson is de meester van het pastorale vergezicht, opgeroepen door samensmeltende klanken van velerlei herkomst, zoals citer, gitaar en mellotron. Het vergezicht is niet per se lieflijk, er komen ook kloven en rotsen in voor. En toch is de overheersende toon zoet. Wilson heeft iets te veel galm ingezet. Daarbij is zijn zangstem nogal nietszeggend.

Na hun meer orkestrale platen speelt Of Montreal, uit Amerika, zich op hun nieuwe, dertiende cd in de hoek van art-punk. Zanger Kevin Barnes verpakt getuigenissen over zijn gebroken huwelijk in mysterieuze songtitels en verwijzingen naar Griekse mythen. De nieuwe nummers zwenken van uitbundig naar introvert, onderbroken door knarsende solo’s, zoals in Monolithic Egress. Maar die schots en scheve stijl wordt met zo’n levenslust uitgevoerd dat het effect overrompelend is. Aureate Gloom is een hoogtepunt in het oeuvre van de band, die hun hang naar de jaren zeventig live onderstreept met theatraal gedragen Leger des Heils-glamour.

In vergelijking laat Alamo Race Track uit Amsterdam meer gaten vallen op de nieuwe cd Hawks. De nummers plagen en prikken op een ondergrond van banjo en tamboerijn, waar nu en dan een dwarse elektrische solo doorheen steekt. De toon is zelfverzekerder dan voorheen, waardoor nummers als Young Spruce and Wires en Everybody Let’s Go de wijdlopigheid goed dragen. Andere (Hawks) blijven onbestemd.

Zo is Steven Wilson vloeiend als room, of Montreal stekelig als braamstruiken en Alamo Race Track bizar maar onderhoudend.