Column

Lijk in de gracht

‘Deze is echt dood.” De man met de oranje trui trekt aan zijn elektrische sigaret. „Die komt boven drijven en zinkt op een gegeven moment ook weer.” Het Lepelenburg, Utrecht, vrijdagmiddag. Over de brugleuning hangen mensen te kijken. Langs het water staat een brandweerauto met het opschrift „Tolsteeg” op de cabine. Eromheen cirkelen brandweermannen en agenten. In het water ligt een ladder.

„Een lijk”, zegt een vrouw met een grote jas aan. Nu komen er van alle kanten buurtbewoners naar de oever van de Stadsbuitengracht lopen. Een jongen met een schoudertasje, een man met een trainingsbroek, een man met een ribfluwelen jack, een jongen met een bruine labrador, een dame en een heer uit een naburig advocatenkantoor. Twee blonde vrouwen parkeren hun bromfietsen.

„Misschien iemand die zijn hond uitliet”, zegt de vrouw met de grote jas. „Of zelfmoord”, zegt een van de blonde vrouwen. „Of een hartaanval”, fantaseert de jongen met het schoudertasje.

„Het is elke keer raak met ongelukken hier”, zegt de man uit het advocatenkantoor. „Er is al eens iemand tegen een boom gereden”, zegt de dame. „Het kantoor heeft wel eens gepleit voor een drempel”, zegt hij. „Ze rijden hier morbide, 80 soms.”

We staan met een man of dertig een kwartier op de lijkwagen te wachten. „Als het te lang duurt, zegt de man met de elektrische sigaret, „ga ik een klacht indienen. Dit kost de staat te veel geld.” Het schoudertasje en het ribfluwelen jack grinniken. „Ze kunnen hem toch ook in een container gooien?”

De lijkwagen arriveert. Met schermen wordt de oever aan het zicht onttrokken. Twee brandweermannen waden het water in en scheppen het lichaam er met een brancard uit.

„Filmen joh”, roept de man met het ribfluwelen jack tegen een journalist die in allerijl zijn camera opzet. De brandweermannen die tot hun schouders in het water staan, lijken nog naar iets te zoeken. „Misschien is zijn been eraf gevallen”, zegt de man met de elektrische sigaret.

De dode – hoe eenzaam moeten zijn laatste minuten zijn geweest. En nu hij wordt opgedregd, is er een kleine menigte bij. We staan allemaal bij elkaar te wachten op dat veldje, in de wetenschap dat iedereen om je heen zíét dat jij op een veldje staat te wachten tot er een lijk uit de gracht wordt gevist. Dat vraagt om een houding en die vinden ze: door sick jokes te vertellen en te grinniken om de grappen van anderen.

De lijkwagen draait en rijdt weg in de richting van de Stadsschouwburg. „Jongens, dat was het”, zegt de man met het ribfluwelen jack. Hij loopt weg, handen in de zakken. „Daar sta je dan een uur voor te wachten”, zegt de man met de elektrische sigaret. Op de oever bloeien paarse krokussen, een vink slaat.

De camera wordt ingeklapt. De twee vrouwen starten hun bromfietsen. Een vrouwelijke agent loopt naar een collega toe. Ze fluistert hem wat toe. „Fijne verjaardag nog.” Dan is de weg weer leeg.

Vanochtend nog even bij de politie geïnformeerd. De dode was een 37-jarige man. Hij was, zegt de agent, niet door een misdrijf om het leven gekomen. Het was geen zelfmoord, geen hartaanval. Hij had niet zijn hond uitgelaten. Het was een ‘noodlottig ongeval’ geweest. Niemand had het zien gebeuren. Pas toen zijn lichaam boven kwam drijven, had een voorbijganger de politie gewaarschuwd. Dat was vrijdag.