Jachtinstinct

De werkelijkheid kan absurdistischer zijn dan fictie. Ilona Verhoeven

ziet meer dan zij ziet.

Eigenlijk wilde het jagerskind naar het bos of naar een groen, groen, groen knollen-knollenland. Nu is ze op een antiekmarkt, dagdromend boven een oude pan. Een goeie voor een jachtschotel, ongetwijfeld.

Over het algemeen is het jagerskind geen dromer, sterker nog: ze is altijd in opperste staat van paraatheid. Overal waar ze kijkt, ziet ze wel iets om haar vizier op te richten. Haar geweertje, ogenschijnlijk als accessoire op de rug, staat continu op scherp. Vliegt er iets raars over, laat zeggen drie overtollige eenden, dan schiet ze die, pang, pang, pang, uit de lucht.

Kinderen kunnen zo fanatiek zijn. Even niet opletten en zo’n meid trakteert de marktkraam op een schot hagel, gewoon omdat ze er zin in heeft. Het hele zooitje aan diggelen. Inclusief die bordjes met gouden randjes waar haar vader zijn oog op heeft laten vallen. Is schrikken, ja, maar dat heb je met jachtinstinct. Ook zielig voor de vader. Hij dacht juist gebamzaaid te zitten met zo’n lieve kleine lijfwacht aan zijn zijde.

Jachtinstinct. Het komt goed uit wanneer iemand in je kringen ermee behept is. Die graag een handje helpt als je ergens last van hebt. Duiven in de tuin, een verwarde haan op je erf, bij ongewild wild zeg maar. Dan vraag je deze persoon, meestal een man, maar het kan ook een vrouw zijn, om eens langs te marcheren. Als het bezoek weg is, ligt je hele terras vol met veren en bloed, maar je bent er wel vanaf. Van die duiven. Of die haan. En als je het een beetje economisch aanpakt, kun je de vangst ook nog braden.