Innemend festival vol fraaie, vergeten Stabat Maters

Bij een Stabat Mater denk je al snel aan Pergolesi of Palestrina, Rossini of Poulenc. Maar door de eeuwen heen is het dertiende-eeuwse gedicht over de treurende Moeder Gods door talloze componisten getoonzet. Dat veel van die onbekendere versies óók de moeite waard zijn, vormt nu al zeventien jaar de motor achter het Stabat Mater-weekend, een bijzonder initiatief in het Brabantse Oirschot.

Dit jaar klonk in de imposante Petrus Basiliek een geheel Nederlands programma, dat met de nodige vindingrijkheid in elkaar was gezet en een vergeten zijstroom van de muziekgeschiedenis belichtte. Hendrik Andriessen, vader van Louis, componeerde nooit een Stabat Mater. Maar voor zijn prachtige liedcyclus Miroir de Peine (1923) gebruikte hij sonnetten van Henri Ghéon die Christus’ lijden vanuit Maria’s perspectief beschrijven – hetzelfde idee. Mezzosopraan Carina Vinke vertolkte de orkestliederen met verve, al leek haar volle stemgeluid een tikje monochroom.

Drie van Andriessens bekendste leerlingen, tezamen wel de Tres Pueri genoemd, lieten allen een Stabat Mater na. De korte versies van Jan Mul en Herman Strategier waren vooral interessant: tonale muziek met beschaafde pogingen tot experiment, die nu wat ouderwets aandoen.

Albert de Klerk schiep van de drie het meest lijvige en evenwichtige Stabat Mater (1952), waarbij de strofen afwisselend gezongen werden door koor en solisten Vinke en tenor Falco van Loon. Het dynamische en inventieve werk kende schitterende passages, zoals de fluitsolo gevolgd door een duet met Vinke. Arjan Tien leidde de philharmonie zuidnederland effectief; het goed klinkende Brabant Koor miste in de extreme registers soms definitie.