Iers feest na krankzinnige finales

Na een zeer spannende slotdag won Ierland zaterdag opnieuw het Zeslandentoernooi. De verschillen met Engeland en Wales waren minimaal.

De Schot Jim Hamilton (links) in gevecht metJamie Heaslip van Ierland, dat het duel én het Zeslandentoernooi won. Russell Cheyne/Reuters

Toch weer Ierland. Eén van de meest krankzinnige dagen uit de rugbygeschiedenis, drie finales op rij: Engeland, Ierland en Wales eindigden zaterdagmiddag, op de slotdag van een zinderend Zeslandentoernooi, gezamenlijk bovenaan. Maar toen de stofwolken eenmaal waren opgetrokken mochten de Ieren zich tot winnaar uitroepen, op basis van puntensaldo. De marge was slechts zes punten ten opzichte van de Engelsen, waardoor Ierland de trofee van het prestigieuze Europese toernooi voor het eerst in 66 jaar met succes wisten te verdedigen. De nummer drie van de wereld, achter Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika, begint daardoor als beste Europese ploeg aan het WK, komend najaar in Engeland.

„Dit is ongelooflijk”, stamelde de Ierse captain Paul O’Connell tegenover de Ierse televisie. „Het geeft een waanzinnig gevoel om het twee jaar achter elkaar te doen. Het is schitterend voor het Ierse rugby.”

Het regende try’s op de slotdag, 27 in totaal, en records werden gebroken. Engeland, Ierland en Wales begonnen de dag op een gedeelde eerste plaats, de Engelsen favoriet met een licht puntenvoordeel.

Maar Wales, de toernooiwinnaar van 2012 en 2013, zette in het Stadio Olimpico van Rome de toon met een strafexpeditie tegen Italië. Zeven try’s in de tweede helft leidden tot een monsteroverwinning: 61-20.

Daarna was het de beurt aan Ierland in Edinburgh, in een beladen derby tegen Schotland, al enkele jaren de zwakste broeder van de Europese rugbyelite. Tot afgrijzen van 67.000 fans walste de groene Ierse machine op Murrayfield over de arme Schotten heen, met een marge, dertig punten, die slechts één keer eerder (36-6 in 2003) op het bord had gestaan: 40-10. Het was meer dan voldoende om de leiding in het klassement weer over te nemen van Wales.

En dus lag de sleutel op Twickenham in Londen, waar Engeland tegen Frankrijk maar één opdracht had: winnen met minimaal 26 punten verschil. Voor ruim 82.000 toeschouwers kwamen de Engelsen een heel eind, maar met 55-35 was de marge van uiteindelijk zes punten net te klein. Onder oorverdovend lawaai beukten de Engelsen in de slotminuten op de Franse verdediging voor de beslissende try. Maar die bleef uit, tot opluchting van de Ieren die het schouwspel vanaf televisieschermen op Murrayfield gadesloegen.

Zowel de spelers van Engeland als die van Wales vroegen zich na het laatste fluitsignaal af waar het precies fout was gegaan. Beide landen scoorden meer dan vijftig punten op het moment dat het nodig was, maar het was niet genoeg voor de trofee.

Vooral voor Engeland was de afloop zuur: de ploeg van bondscoach Stuart Lancaster eindigde de afgelopen vier edities van het toernooi als tweede, en de laatste drie jaar op puntensaldo. „Om het even in perspectief te plaatsen”, zei Lancaster na afloop op Twickenham tegenover de BBC, „we zaten daar teleurgesteld, nadat we 55 punten hadden gemaakt tegen Frankrijk. Het was één van de moedigste prestaties die ik van dit team heb gezien.”