Gevangen terrorist? Dan sta je laag in de pikorde

Gedetineerden zijn minder vatbaar voor jihadistische ideeën dan gedacht, blijkt uit onderzoek dat donderdag verschijnt. Hebben Terroristische Afdelingen wel zin?

Samir A. in 2005, tijdens zijn rechtszaak. A., lid van de Hofstadgroep, zat zijn straf uit in een 'Terroristen Afdeling'. Foto ANP

‘In de ban van angst’ (Captivated by Fear) heet het proefschrift van Tinka Veldhuis, haar promotie is donderdag in Groningen. De titel slaat op de vrees die volgens de socioloog leidend was voor de inrichting vanaf 2006 van een bijzonder soort, enigszins on-Nederlandse gevangenis: de Terroristen Afdeling (TA) van de gevangenissen in Vught en Rotterdam.

Deze dienden slechts één doel: iedereen die van een terroristisch misdrijf werd verdacht of ervoor was veroordeeld, apart en onder een strikt regime opsluiten. Zo moest worden voorkomen dat radicale, jihadistische ideeën onder andere gevangenen werden verspreid. Resocialisatie, een belangrijk doel van de rest van het Nederlandse gevangeniswezen, werd expliciet als doelstelling verworpen, zo blijkt uit Veldhuis’ onderzoek.

Tot nu zaten ongeveer tachtig gedetineerden vast in de TA’s van Vught en Rotterdam. Samir A. van de Hofstadgroep, is de bekendste. Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, zat elders gevangen.

Gezien het politieke klimaat na 9/11 en de moord op Van Gogh, eind 2004, was de afwijkende aanpak begrijpelijk, maar toch ook vreemd, zegt Veldhuis ter toelichting. „Voor het eerst stond namelijk de aard van het misdrijf centraal, en niet het (risico-) profiel van verdachte of dader.”

„Daardoor kon een hele groep mensen, ook die voor een relatief licht vergrijp waren veroordeeld zoals het mee-financieren van de voorbereidingen van een terroristische daad, in een zwaar gevangenisregime terechtkomen. En dat terwijl überhaupt nooit was onderzocht of de basisveronderstelling – dat andere gevangenen vatbaar zijn voor jihadistische ideeën – wel klopte. Mijn onderzoek levert op z’n minst sterke aanwijzingen op dat dit juist niet het geval is.”

Veldhuis stuurde een vragenlijst rond onder gedetineerden van andere gevangenissen. Ze wilde weten hoe verkrachters, fraudeurs, moordenaars en andere ‘reguliere’ gevangenen dachten over de terroristen in Vught en Rotterdam. Dat kon een indruk geven van hun vatbaarheid voor de extremistische ideeën.

Tegen de verwachting in

Het antwoord van de 120 gevangenen die de vragenlijst van Veldhuis invulden (responspercentage ongeveer 25 procent) verbaasde de socioloog. „Uit eerder Amerikaans onderzoek bleek dat veel gedetineerden juist opkijken tegen medegevangenen die in een strikt regime zitten. Dat zijn in hun ogen de tough guys.”

Het onderzoek van Veldhuis leverde echter een geheel ander beeld op. De meeste gedetineerden, zowel moslims als niet-moslims, moesten weinig van de gevangenen in de TA’s hebben, zo bleek uit hun antwoorden. Ze distantieerden zich ervan. „De terroristen stonden in de pikorde vlak boven zedendelinquenten.”

Volgens de promovenda is hiermee niet bewezen dat medegedetineerden niet vatbaar zijn voor jihadistische boodschappen. „Maar het resultaat geeft wel aanleiding tot verder onderzoek naar die vatbaarheid.”

Ook het vrijkomen van veroordeelde jihadisten kan leiden tot een zakelijkere beoordeling van de Terroristen Afdelingen. Schaadt hun strikte regime de resocialisatie?

De eerste indrukken zijn wisselend. Jason W. van de Hofstadgroep raakte in Vught in de ban van Plato en werd kritisch over jihadisme. Zijn broer Jermaine, daarentegen, reisde na zijn vrijlating af naar Syrië, waarschijnlijk niet voor het openen van een groentewinkeltje.

„Er is geen peil op te trekken”, zegt Veldhuis. „De komende tijd moet blijken of de groep die vrijkomt, bozer de TA verlaat dan ze er is ingegaan. Als dat zo is, wordt de samenleving er niet veiliger op. Dan schiet de Terroristen Afdeling haar doel voorbij.”