‘Genieten’ of gewoon leven als ouder mens

Wat leven is, toont een tuin je elk jaar weer. Ik ruimde dood blad op en overal daaronder bleek het aan de gang te zijn. Kleine, soms minieme, groene of rode puntjes van iets wat daaronder al stilletjes bezig was. Altijd moet ik aan dat gedicht van Chr. J. van Geel denken, over bomen in het vroege voorjaar en hoe binnen in dat hout al gewerkt wordt aan de kaarsen die de kastanjes straks zullen dragen: „onder hun vel, tiktakt hun zenuwengestel”. Zo’n fijne regel om tegen jezelf te zeggen. Alles komt erdoor tot leven, ook op dagen dat je niet ziet hoe overal van alles beweegt. En zulke dagen zijn er genoeg.

„Ik heb last van deze leeftijd” zei laatst een vrouw op een verjaarspartijtje voor iemand die zeventig was geworden. Zelf was ze nog wel een jaar of zes jonger, maar toch, ze voelde haar energie afnemen, en misschien voelde ze ook nog wel iets anders afnemen. Het in-leven-zijn.

Niet dat je niet meer leeft als je ouder wordt. Maar ergens onderweg, ik zou schatten zo rond je veertigste, treedt een zekere slijt in. Vanaf daar ergens kan het iemand gaan opvallen dat sensaties niet meer zo hevig zijn. Dat de geuren, kleuren, blikken en zinnen niet meer die uitwerking hebben die ze vroeger hadden. Dat wat je citeert of zegt steeds vaker iets is dat je vijf of zelfs vijftien jaar geleden ook al zei. Dat je, om het in de termen van Vasalis uit te drukken, ‘tot mijn ongeluk, definitief niet meer verliefd’ bent, zoals ze ergens rond haar 43ste in haar dagboek noteerde. Niet meer verliefd op het leven.

Er is altijd wel een denkend gedeelte in het hoofd dat je herinnert aan de vergankelijkheid van alles en iedereen, aan de zinloosheid van alles, aan de leegte van de toekomst. Zulke gedachten zijn niet bepaald een bron van levensvreugde, eerder van melancholie, want van afstand tot de dingen waar je juist in zou willen zijn.

Tegelijkertijd hoor je ouder geworden mensen vaak zeggen dat ze evenwichtiger zijn geworden. Zeg ik zelf ook. Minder neurotisch, minder onzeker, minder wankel. Het paniekerige roepen om vrede, aanvaarding, stevigheid – ‘geef mij een plek om te staan’ – neemt af.

„Je kunt het winst noemen,” zei de man met wie ik daar laatst over sprak. „Maar in een meer cynische bui noem ik het wel eens gecontroleerde afstomping.”

Is jeugd veel gevoeliger, overgevoeliger?

Natuurlijk is niet alles dof geworden met het ouder worden. De vrouw op het partijtje kon je onmogelijk een doffe persoon noemen. Ze is hevig in kunst geïnteresseerd, reist, probeert dingen uit. Ze is actief en levendig en kan heel emotioneel reageren. Maar ze voelt zelf blijkbaar iets anders.

Misschien de dreiging van het Zwitserlevengevoel. Al die gepensioneerde echtparen die naar hoogculturele plaatsen reizen, om daar te ‘genieten’ – je kunt helemaal niet geloven dat hun zintuigen de hele tijd zo open staan dat ze echt ervaringen opdoen.

Toerisme van de ziel, hoor ik mezelf kribbig mompelen.

Dat harde oordeel is vast afgunst op hun eventuele vitaliteit. Misschien kunnen zij dat wel, dingen ervaren. Maar ik geloof ze niet. Ik geloof in zoiets als onafgebroken aandacht. (Wie zei ook weer: „De enige manier om iets mee te maken, is door onafgebroken hetzelfde te beschouwen?”) En als je die durende aandacht niet opbrengt, hoor je al gauw de bange innerlijke stem die vraagt: ‘Waar ben je?’ ‘Leef je nog?’

En dan ga je naar buiten, de tuin in. De zon schijnt, een spreeuw zit met idioot grote takjes in zijn snavel te hannesen bij een dakpan en je lacht en je voelt en hoort en ziet, – zonder er bij na te denken! Hoofd uit! – wat het is. Leven.