Column

Een jongen

Vraag Hidde hoe oud hij is en hij antwoordt geheel naar waarheid: „Zevenenhalf.” Toch alweer een ‘hele leeftijd’ liet ik me tegen hem ontvallen. Hij keek me een beetje verbaasd aan, alsof hij dacht: kijk ’s naar jezelf. Maar ik wilde me helemaal niet met hem, mijn kleinzoon, meten. Hij was onze gast en ik stond weer eens versteld van de overstelpende energie die uit zo’n jongenslichaampje kan spatten. ’s Morgensvroeg had hij in ijzige wind en regen gehockeyd op een afgelegen sportcomplex, waarna hij met zijn oma de trein had genomen naar Amsterdam.

Hij zat nog maar nauwelijks op onze bank of hij haalde zijn iPad tevoorschijn om via YouTube enkele spannende filmpjes te bekijken, waarop vreeswekkende robots elkaar met zwaarden – ouderwets wapen toch – te lijf gingen. Daarna schoof hij aan tafel om snel een kaartje – potje pesten – te leggen met zijn oma, die nog rilde van die doornatte hockeymatch.

Wilde hij nog een tochtje met de rondvaartboot? Hij weigerde beleefd, misschien voelde hij intuïtief dat wij er ook weinig trek in hadden. Hij was tevreden over het gevarieerde programma dat voor hem was uitgezet: eerst nog wat vermaak op de iPad, daarna zijn lievelingsmaaltijd – gehaktballetjes met gebakken aardappeltjes en sperziebonen - een langdurig (lig)bad en tot slot een partijtje ganzenborden.

Het bracht mij op de gedachte dat het bestaan van kleinkinderen te vergelijken valt met dat van huiskatten: ze worden vertroeteld als koningskinderen en ze ondergaan het met de vanzelfsprekendheid die bij die status hoort.

Tussendoor moest hij nog wel een educatieve plicht volbrengen: het voorlezen van een tekst uit Kidsweek. Hier kwam ik, als ‘man van het woord’, in beeld. Het was de enige keer dat zijn stem nogal dof klonk. Verder las hij goed voor, al haperde hij even bij moeilijke woorden als ‘enthousiast’, ‘reageren’ en ‘negeren’.

Hij klonk geanimeerder toen hij een mop mocht voorlezen. Een klant in een taxi tikt vanaf de achterbank de chauffeur op de schouder, de chauffeur schrikt zich wild, botst bijna op een bus en zegt dan tegen de klant: „Het is vandaag mijn eerste dag als taxichauffeur, tot gisteren heb ik 25 jaar met een rouwauto gereden.” Een macabere grap voor een jongen van ‘zevenenhalf’, maar Hidde zat er niet mee, hij lachte ongedwongen.

Dat beloofde wat voor de volgende dag. Toen stond een bezoek aan het Verzetsmuseum op het programma; je wilt de jeugd toch ‘wat meegeven voor later’. In dat Verzetsmuseum huist sinds enige tijd een juniorafdeling die aangepaste informatie over de Tweede Wereldoorlog in Nederland verstrekt. Het was de eerste keer dat ik er met een kind rondliep, waardoor ik nog beter merkte hoe goed dit museumpje is. Op speelse wijze krijgen kinderen veel informatie aangeboden. Hidde verveelde zich geen moment, ook omdat hij met allerlei attributen aan de slag kon.

Zijn favoriet was de verweerde cockpit van een zware bommenwerper, een replica van een wrakstuk van een Avro Lancaster, waarmee je virtueel naar de voormalige Nederlandse koloniën in oorlogstijd kunt vliegen. Hij zette zonder aarzeling de koptelefoon op en rukte aan de stuurknuppel als een gedreven gevechtspiloot.

Toen we het museum wilden verlaten, smeekte hij nog ‘één rondje’ af. Ik zag hem fier, hoog boven ons in de cockpit, tronen en er was geen twijfel mogelijk: een jongen. Van zevenenhalf.