De Johan Cruijff van de Bonnie en Clyde

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Max Verstappen is de Johan Cruijff van de Formule 1, meldden verscheidene media onlangs. Dat maakt hem familie van Herman van Veen, die in zijn jonge jaren de Johan Cruijff van het cabaret is genoemd. Althans, dat las ik in deze krant.

Max Verstappen debuteerde op het hoogste niveau terwijl hij pas zeventien is. Op dat punt kun je hem inderdaad vergelijken met Johan Cruijff, want die debuteerde op zijn zeventiende officieel bij het eerste team van Ajax, de club waar hij al vanaf zijn tiende voetbalde.

Ik vraag me af waarom Herman van Veen indertijd de Johan Cruijff van het cabaret is genoemd. Debuteerde Van Veen soms ook op z’n zeventiende? Nee, hij was toen twintig, dus dat kan het niet geweest zijn.

Je kunt een paar elftallen vullen met mensen die de Johan-Cruijff-van-iets zijn genoemd. Het hoeven geen mannen te zijn. Zo is Latoya Jackson, zangeres, „de Johan Cruijff van de popmuziek” genoemd. Hersenonderzoeker Dick Swaab was „de Johan Cruijff van de seksuologie”, Rudolf Noerejev „de Cruijff van de internationale danswereld” en meteoroloog Gerrit Hiemstra, „de Johan Cruijff van de weermannen”. De betekenis is niet altijd zonneklaar, maar meestal bedoelt men ‘het grootste talent op zijn of haar vakgebied’.

Gold Herman van Veen dan ooit als het grootste talent van het Nederlandse cabaret? Kennelijk was dat in de jaren zestig in de ogen van sommigen het geval.

Wat deze voorbeelden vooral laten zien, is de voorkeur van journalisten en columnisten voor gemakkelijke vergelijkingen. Hoe worden in de media een man en vrouw genoemd die op het criminele pad gaan? Bonnie en Clyde natuurlijk. Naar het Amerikaanse roofkoppel uit de jaren dertig.

Hoe wordt een jonge, hemelbestormende, hoopgevende politicus al snel genoemd? Een Kennedy of (meer recentelijk) een Obama. Soms worden die twee zelfs tegelijk van stal gehaald. Zo is Klaus Iohannis, de huidige president van Roemenië, onlangs bestempeld als „De Kennedy van de Karpaten, de Obama van boven de Donau”.

Ik kwam ook ergens „De Kennedy’s van het wielrennen” tegen. Dat ging niet om een groepje jonge toptalenten – zeg maar: enkele Johan Cruijffs van de wielersport – maar om een bepaalde familie die veel succesvolle wielrenners heeft afgeleverd, zoals de familie Kennedy dat voor de Amerikaanse politiek heeft gedaan.

Cruijffs loopbaan lijkt enigszins op dood spoor te zijn geraakt, maar zonder twijfel zal de uitdrukking de Johan-Cruijff-van-iets nog lang voortleven. Dergelijke vergelijkingen zijn namelijk opvallend taai. Bonnie en Clyde stierven immers al in 1934 en Kennedy in 1963, maar in vergelijkingen in de media zijn ze nog springlevend.

Hetzelfde geldt voor Heintje Davids, de variétéartieste die van geen ophouden wist. Bijna niemand weet meer wie Heintje Davids was, maar onlangs is Henk Krol nog „de Heintje Davids van het Binnenhof” genoemd. Plus de „comeback kid”, de bijnaam van Bill Clinton.

Meestal zoomen dergelijke vergelijkingen in op één bepaalde eigenschap. In de Johan Cruijff-vergelijking lijkt dat, zoals het Max Verstappen-voorbeeld laat zien, te verschuiven van ‘het grootste talent op zijn of haar vakgebied’ naar ‘opvallend jong aan de top’. Voor zolang het duurt.