Als het in de natuur nooit donker wordt

Hoe reageren dieren op lantaarnpalen in het bos? Vogels komen erop af, muizen schuilen.

Lantaarnpalen aan de bosrand in Drenthe. Foto Kamiel Spoelstra

Sinds 2012 schijnen in de Nederlandse natuur lantaarnpalen voor de wetenschap, van zonsondergang tot zonsopgang. In Drenthe en op de Veluwe verlichten ze acht afgelegen bosranden met wit, rood of groen schijnsel. Biologen meten het effect van kunstlicht op de natuur.

Deze maand verschenen de eerste resultaten in Philosophical Transactions of the Royal Society B. De vogels, de vleermuizen en de bosmuizen gedragen zich anders sinds de lantaarnpalen arriveerden. Koolmezen begonnen in het koude voorjaar van 2013 vijf dagen eerder met broeden als hun nestkast bij een witte of groene lamp hing. Onderzoeker Kamiel Spoelstra: „Die dachten blijkbaar: het is koud maar de dagen worden nu zo lang, laten we maar beginnen.”

Philosophical Transactions vult het hele meinummer, dat al online verscheen, met biologisch onderzoek naar kunstlicht. Het lantaarnpaalexperiment onder leiding van het ecologisch instituut NIOO-KNAW maakt daar, met 2 van de 11 studies, een belangrijk deel van uit. Niet eerder manipuleerden wetenschappers langdurig het kunstlichtschijnsel in de natuur. In veldonderzoek naar kunstlicht ging het eerder bijna altijd om effecten van verlichte wegen, steden of industrie: mensenwerk dat dieren ook op andere manieren verstoort.

Vier rijtjes lantaarnpalen

Het NIOO en de Wageningen Universiteit lieten vier rijtjes lantaarnpalen aan de bosrand plaatsen, in acht gebieden van het Drentse Hijkerveld tot het Deelerwoud bij Arnhem. Een rijtje van vijf palen met rood licht, net zo’n rij groene, een rij witte en een rij uitgeschakelde controlepalen, met steeds zo’n 200 meter ertussen.

„Door in onbebouwd gebied het licht te dimmen en de kleur te veranderen, kun je nog iets verbeteren voor de natuur”, zegt Spoelstra. Daarom hebben de onderzoekers voor gewone straatlantaarns gekozen: de lichtsterkte van de palen in de studie is die van straatlantaarns langs wegen buiten de bebouwde kom: 8 lux recht onder de paal (je kunt erbij lezen als je wilt).

Niet alleen begon de koolmees in 2013 eerder met broeden, het licht zorgde in dat jaar ook voor méér broedvogels. Spoelstra: „We hebben geen idee hoe dat kan, we weten ook niet wat het gevolg is.”

De biologen – Nederlanders en twee Duitse collega’s – volgden broedende koolmezen en bonte vliegenvangers in meer detail, met nestkasten. Geen van die soorten had aantoonbaar last van het licht. De vroege koolmezen kregen gewone, gezonde jongen. In het volgende voorjaar, de warme lente van 2014, maakten de lantaarnpalen al helemaal niets uit: toen broedden alle koolmezen vroeg. En de bonte vliegenvangers, die altijd beginnen te broeden nadat ze uit Afrika zijn teruggekomen, trokken zich gedurende de hele studieperiode niets van het kunstlicht aan.

Gedimd kunstlicht heeft acuut effect op nachtdieren. Zoals bosmuizen: die zoeken niet graag voedsel onder een lantaarnpaal. Hun activiteit halveerde. Spoelstra: „Uit laboratoriumonderzoek met huismuizen weten we dat hun lichaam ook op dimlicht sterk reageert.” Ook lichtschuwe vleermuizen trekken weg van de lantaarnpalen. Terwijl lichtminnende vleermuizen (zoals de dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus) de hele nacht rond de lamp insecten vangen.

De komende maanden en jaren kunnen daar nieuwe inzichten bij komen. Zullen de bosmuizen definitief wegtrekken van de lichtbronnen? Geldt dat ook voor andere muizen en meer zoogdiertjes? Wat betekent dat voor muizeneters, zoals uilen? De biologen hebben nog even: het licht blijft in ieder geval tot eind 2017 branden.