Vrijheid mondde uit in deceptie

Het succesverhaal van de ‘Arabische Lente’ werd geraakt door terreur. De democratie stelt teleur, het radicalisme broeit.

Tunesiërs lopen mee in een protestmars om hun afkeer te uiten van de terreuraanslag, woensdag in Tunis. Foto ROBERT MICHAEL/ AFP

Honderden Tunesiërs, velen gedrapeerd in de nationale vlag, lopen donderdagmiddag richting het Bardo Museum in Tunis. De stemming is plechtig en strijdbaar. Sommigen heffen tijdens de wandeling spontaan het volkslied aan. Rondom het complex, waar ook het Tunesische parlement is gevestigd, houden zwaarbewapende militairen de wacht voor barrières van prikkeldraad.

De demonstranten lopen voorzichtig langs de glasscherven en de plassen bloed voor de ingang van het museum. Een dag eerder richtten terroristen hier een bloedbad aan. Er vielen 23 doden, onder wie 20 buitenlandse toeristen. Veel demonstranten branden kaarsen of leggen bloemen om hun solidariteit te tonen met de slachtoffers en hun nabestaanden.

De betoging is georganiseerd door de orde van advocaten. „Het idee ontstond vanochtend tijdens een vergadering”, zegt Haithem Bennour (38), advocaat bij het hof van beroep. Hij draagt een pilotenbril boven zijn toga en rookt een sigaret. „We wilden onze afschuw tonen over de laffe aanslag, die was gericht tegen het recht op leven, het meest fundamentele recht dat een mens heeft.”

Andere burgergroepen sloten zich aan bij de demonstratie, zoals de stichting tegen geweld van Chokri Belaïd, een linkse advocaat en oppositieleider die in 2013 werd vermoord. Mohammed Hedi Khalfaoui (22) is vrijwilliger van de stichting. Hij draagt een zelfgemaakt bord met de tekst: La Tunesie n’est pas finie. La Tunesie est éternelle.

Het is een verwijzing naar een artikel in de Franse krant Libération, dat de woede heeft gewekt van veel Tunesiërs. In het stuk komt een gids aan het woord, die een groep buitenlandse toeristen begeleidde naar het museum. „Het is gedaan met Tunesië”, zegt hij overstuur na de aanslag. „Het is gedaan met het toerisme. Jullie zullen omkomen van de honger.”

Dit raakte een open zenuw in Tunesië, waar twee op de tien mensen direct of indirect afhankelijk zijn van het toerisme. De Franse auteur van het artikel werd overspoeld met boze reacties: als het gedaan is met Tunesië dan rot je toch op naar je eigen land. Uiteindelijk besloot ze de gewraakte kop, ‘C’est fini la Tunesie, c’est fini le tourisme’, te veranderen.

„Het artikel is schadelijk voor het toerisme in Tunesië”, zegt vrijwilliger Khalfaoui. „De meeste toeristen wilden het land gisteren onmiddellijk verlaten. Voor de hotels stonden veel bussen klaar om mensen op te halen. Daarom is dat artikel zo schadelijk. Overal ter wereld is terreur. Maar durven de toeristen niet meer naar Parijs na de aanslag op Charlie Hebdo?”

Wetteloosheid in buurland Libië

Toch reageren de meeste Tunesiërs niet heel geschokt op de aanslag. Velen verwachtten dat zoiets een keer zou gebeuren. Sinds de revolutie in 2011, die sterke man Ben Ali ten val bracht, zijn de activiteiten van terreurgroepen in Tunesië sterk toegenomen. Tot nu toe bleef dat grotendeels beperkt tot het bergachtige grensgebied met Algerije. Maar de wetteloosheid in buurland Libië, dat na de opstand tegen kolonel Moammar Gaddafi is veranderd in een lappendeken van milities en terreurgroepen, vormt een toenemende bedreiging voor Tunesië.

De daders van de aanslag, die tijdens de bestorming van het museum werden doodgeschoten, zijn inmiddels geïdentificeerd als de Tunesiërs Yassine Laabidi en Hatem Khachnaoui. Volgens de autoriteiten hebben ze training en wapens gekregen in Libië. Van welke groep is niet duidelijk. Er zijn aanwijzingen dat ze zijn afgereisd naar Derna, een bolwerk van IS in het oosten van Libië.

De toename van terrorisme in Tunesië vloeit voort uit de vrijheid en frustratie die volgde op de revolutie. Na de val van Ben Ali verzwakte de ijzeren greep van de staat. De gehate geheime politie werd opgeheven. Zo ontstond er meer vrijheid voor salafisten om te preken en te rekruteren. Ze zetten tenten op in arme wijken, waar de politie niet durfde te komen. Behalve zendingswerk deden ze ook aan liefdadigheid, zoals het uitdelen van voedsel en medicijnen.

‘Kalifaat’ als hoop op beter leven

Daarbij is de revolutie voor veel jongeren uitgelopen op een deceptie. Ze liepen voorop in de protesten tegen Ben Ali. Hun belangrijkste leus luidde: ‘Werk, vrijheid en nationale waardigheid’. Ze hebben nu wel meer vrijheid, maar een beter leven bleef uit. De werkloosheid onder afgestudeerde jongeren is toegenomen. De cafés in Tunis zitten overdag vol met jongeren, die teren op een paar dinar voor een kop koffie en een paar losse sigaretten.

Sommige jongeren zien het ‘kalifaat’ van terreurgroep Islamitische Staat (IS) als hun enige hoop op een beter leven. Naar schatting 3.000 tot 5.000 Tunesiërs zijn naar Irak en Syrië afgereisd om zich aan te sluiten bij IS of andere groepen. Een disproportioneel groot aantal voor een land met 11 miljoen inwoners. Enkele honderden zouden inmiddels zijn teruggekeerd. IS heeft de aanslag in Tunis inmiddels opgeëist (zie kader: ‘Aanslag opgeëist’).

Mohammed Nouira vertrok in 2012 naar Syrië. Zijn ouders wisten van niets. „Het nieuws kwam als een complete verrassing”, zegt zijn moeder Noura Nouira, een kleine vrouw met een zandkleurige hoofddoek. „Hij studeerde aan de Universiteit van Sousse en woonde nog thuis. Omdat hij zo’n rustige en gevoelige jongen was, noemde de buren hem gekscherend ‘onze derde dochter’. Zijn vader is nu zo depressief dat hij de hele dag in bed ligt.”

Nouira zegt nooit gemerkt te hebben dat Mohammed radicaliseerde. „Na de revolutie begon hij wel de moskee te bezoeken, maar hij droeg geen baard en had geen extreme ideeën”, zegt ze. „Als zijn zus een korte broek droeg, dan zei hij daar nooit iets van.”

Nouira denkt dat haar zoon onder dwang naar Syrië is gebracht. Hij werd opgepakt door troepen van president Assad en zit sindsdien vast. Samen met haar dochter zocht Nouira hem op in de gevangenis in Damascus. „Ik werd gek toen ik hem zag”, zegt ze. „Zijn zus viel bijna flauw. Hij zei dat hij ontvoerd was naar Libië en van daaruit naar Syrië is gebracht. Als ik wist dat hij een salafist was, dan zou ik blij zijn dat hij gevangen zit. Maar hij is onschuldig.”

Vooral in de eerste jaren na de revolutie zouden veel jongeren zijn gerekruteerd voor de jihad in Syrië. Daar zat geen grote organisatie achter. Jongeren werden geronseld door lokale imams of liefdadigheidsinstellingen die na de revolutie werden opgezet. Ze stapten op het vliegtuig naar Turkije of reisden eerst naar Libië via de smokkelnetwerken in het zuiden.

Jihadronselaars worden miljonair

De rekrutering groeide na verloop van tijd uit tot een lucratieve handel, zegt Rafaa Tabib, antropoloog aan de Universiteit van Manouba die veel onderzoek deed naar rekrutering en smokkel. „Voor elke rekruut kregen de ronselaars geld, dat vermoedelijk kwam van rijke particulieren in de Golf”, legt hij uit. „Een afgestudeerde jongen leverde 8.000 dollar op, een werkloze 3.000. Een arts uit Zarzis is miljonair geworden door honderden jongens naar Syrië te sturen.”

Een salafist in Sousse die veel zendingswerk verricht, wil zichzelf geen ronselaar noemen. Maar de veertiger wil ook niet met zijn naam in de krant. „Ik ken veel jongens die overwegen om naar Syrië te vertrekken”, zegt hij. „Zij zijn boos en gefrustreerd dat de mensen uit de tijd van Ben Ali terug aan de macht zijn. Hun woede is richtingloos totdat ze het salafisme ontdekken. Ik raad ze aan om niet op te vallen: laat geen baard staan, draag normale kleren, wees respectvol jegens je ouders. Als je het besluit hebt genomen om te vertrekken, kom je niet in de problemen.”

De meeste jongens die op jihad gaan blijven tegenwoordig in Libië in plaats van verder te reizen naar Syrië, zegt de salafist in Sousse. Ze sluiten zich aan bij de fundamentalistische milities die vechten tegen de Libische regering en generaal Hafar. Bovendien zijn de meeste luchthavens in Libië vanwege de gevechten gesloten of zwaar beschadigd.

Plannen voor aanslagen

De autoriteiten hebben de afgelopen jaren geprobeerd om de exodus in te dammen. Jongeren hebben nu toestemming van hun ouders nodig om naar Turkije te reizen. De politie houdt salafistische organisaties en imams beter in de gaten. En de meeste van de 5.000 moskeeën zijn onder controle van de overheid geplaatst.

„Alles wat we zeggen en schrijven ligt enorm gevoelig”, zegt de salafist. „De autoriteiten hebben de controle opgevoerd, zelfs zendingswerk is gevaarlijk geworden. De politie vraagt ons constant om onze identiteitspapieren. Daarom hebben veel salafisten hun baard afgeschoren en zijn ze andere kleren gaan dragen. Maar de ideologie zit in hun hart en hun hoofd.”

Bovendien is de controle in het achtergestelde binnenland veel minder strikt dan in de hoofdstad. Deze week werden in het gouvernement Kairouan vier cellen opgerold, die zich zouden bezighouden met ronselen voor Libië. De politie arresteerde 22 mensen, onder wie enkele lokale ambtenaren, en nam een grote som geld, mobiele telefoons en laptops in beslag.

Naar schatting vijfhonderd jihadisten zijn inmiddels teruggekeerd naar Tunesië. Sommigen zijn gedesillusioneerd geraakt door de wrede methodes van IS en de strijd met andere rebellengroepen, anderen hebben mogelijk plannen voor aanslagen. Een paar automatische wapens zijn genoeg om grote schade aan te richten, zoals de daders van de aanslag op het Bardo Museum lieten zien. In een video die in december online werd gezet waarschuwen drie Tunesische IS-strijders dat de hun landgenoten niet veilig zijn „zolang Tunesië niet geregeerd wordt door de islam”.