Vieze Arie

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week het eerste hoofdstuk van de roman De lieve vrede, het debuut van Geertje Kindermans.

Vieze Arie kwam zo geleidelijk in mijn leven als de muren van mijn kamer geel werden. Lange tijd heb je het niet in de gaten of denk je dat het de lichtval is, maar op een dag is het onherroepelijk en weet je: zo kan het niet langer, hier zou je eigenlijk iets aan moeten doen.

Ik geloof dat we bij elkaar op school zaten, maar zeker weet ik dat niet. Ik kende hem in ieder geval van gezicht en wist hoe ze hem noemden.

Later zag ik hem in de Batterij. Ik stond aan het ene uiteinde van de bar, hij aan het andere en hij zwaaide enthousiast. Ik wist eigenlijk niet eens zeker of het naar mij was, maar ik wuifde terug. Dat je bij Arie over zoiets onzeker kon blijven, kwam waarschijnlijk omdat je niet precies wist waar hij naar keek.

Ons eerste gesprek voerden we in het jongerencentrum, Oblomov. Het was op een concert van D.A.F. Hoewel… een gesprek kun je het amper noemen, het was meer dat we een tijdje tegenover elkaar stonden, hij bewoog zijn mond, ik gebaarde wat terug, tot ik uiteindelijk in zijn oor schreeuwde dat ik hem niet kon verstaan in die herrie; we stonden pal voor de boxen. Joviaal stak ik mijn hand in de lucht en keerde me naar het podium. Alsof dat het teken was, werd de achtergrondmuziek uitgezet en verschenen de mannen van D.A.F. op het toneel. We schoven met zijn allen dichter naar het podium. Als een ambtenaar aan het begin van zijn werkdag ging Görl achter zijn apparatuur staan, boog zich over de knoppen en zette ‘Der Mussolini’ in. Daarop begon Gabi als een robot te dansen. Ook wij deden wat er van ons verwacht werd: we veranderden in een springende, joelende massa, de sfeer zat er meteen in.

Op het concert heb ik Arie verder niet meer gezien. Ik ontmoette hem pas een paar maanden later weer, op een feest in een kraakpand. Het was een goed feest. Opeens zag ik hem staan.

‘Hé, jij hier,’ zei ik.

‘Jaaa,’ giechelde hij.

Vieze Arie had zo’n brede grijns op zijn gezicht, of hij het leven een grote grap vond. Misschien nam hij iedere ochtend bij het ontbijt een puntje spacecake, of anders was hij het type dat geen wiet nodig had om stoned te zijn. Hij giechelde in ieder geval om nagenoeg alles.

‘Goh,’ zei ik en knikte.

Op dat moment zag ik Gerjanne en snel nam ik afscheid. Eigenlijk wilde ik liever niet met Arie gezien worden. Op een of andere manier kleefde er iets aan hem. Niet dat hij dik was, maar hij had een spekkige huid. Hij was niet gebruind, maar eerder smoezelig, zonder vuil te zijn. En zijn haar was niet vet, maar ook weer niet schoon. Mogelijk kreeg het vuil geen grip op hem, net zomin als wij dat kregen. Misschien dat we daarom als vanzelf afstand hielden.

Arie woonde ergens in de stad. Op een dag liep ik te tobben over een prachtige kamer, zo eentje waarvan je normaal gesproken alleen kunt dromen. Het ging om de woonkamer van een achttiende-eeuws pand, met een geornamenteerd plafond en een eigen balkon. Het ongelofelijke was dat ik die ruimte kon krijgen, maar dan moest ik wel meteen ja zeggen, want de vorige bewoner was plotseling vertrokken. Niemand had het zien aankomen, hoewel hij zijn vertrek indirect had aangekondigd door de afgelopen maanden zijn huur niet te betalen. Die nacht hadden zijn huisgenoten wat gerommel gehoord en de volgende dag stond de kamer leeg. Daarom werd zo snel mogelijk een nieuwe bewoner gezocht.

Ik wilde wel, heel graag zelfs, en ik was al gekeurd maar ik woonde ook nog ergens anders. Aangezien ik geen geld had om voor twee kamers huur te betalen, liep ik over straat en vroeg me hardop af hoe ik zo snel mogelijk aan een huurder voor mijn oude kamer kon komen.

Ze zeggen wel dat als je een probleem hebt de oplossing zich vanzelf aandient, maar daar geloof ik niet in. Voor hetzelfde geld sta je op zo’n moment aan het begin van een periode vol ellende. Maar in dit geval kwam de oplossing wel uit de hemel vallen. Of om precies te zijn: hij kwam uit een plantsoentje.

‘Ik kan anders best een kamer gebruiken.’

Arie zat op een bankje aan de rand van een stadsparkje met een hijgende hond aan zijn voeten. Hij had me in mezelf horen praten en knikte gretig.

‘Bedoel je…’ zei ik. ‘Je wilt mijn kamer?’

‘Jaja,’ zei Arie en schoof onrustig op het bankje heen en weer.

‘Morgen, bedoel ik? Letterlijk morgen?’

Arie bleef doorknikken en wreef in zijn handen. Hij had er zin in.

Ik gaf hem mijn adres en verplaatste mijn gewicht van mijn ene been naar mijn andere en weer terug, alsof ik niet wist wat me nu te doen stond. Maar dat wist ik wel. Ik hoefde niet door te lopen naar de stad om op een terrasje mijn gedachten te ordenen en te zoeken naar een oplossing die er toch niet was. Niks terrasje, ik kon me nu omdraaien en naar huis gaan. Ik had het opeens razend druk.

‘Tof,’ zei Arie.

Hij hoefde de kamer niet te zien, die was vast in orde, hij kwam morgen wel langs om de sleutel op te halen als ik er eentje kon missen.

Ik pakte zijn hand en voelde een diepe dankbaarheid, die overging in een gevoel van warme vriendschap. Daar leek het tenminste op, maar het kon onmogelijk komen door die jongen op dat bankje, met dat vettige lange haar en die te warme jas, die daar zo’n beetje zat te grinniken. Toch bleef ik zijn hand vasthouden.

‘Echt tof, Arie. Echt,’ zei ik. ‘Zie je morgenochtend om half tien.’

Half tien, ik riep maar wat, ik stond nooit vroeg op. Maar de volgende ochtend hield ik me aan mijn eigen afspraak en ook Arie had het letterlijk genomen, stipt om half tien belde hij aan. Grinnikend liep hij door het huis en nam de sleutel in ontvangst. En zo stond ik al vroeg de muren van mijn nieuwe kamer te witten. Nog dezelfde week verhuisde ik.

Ook Arie bleek voortvarender dan hij eruitzag. Toen ik een dag later mijn laatste spullen kwam ophalen, was hij al in mijn kamer getrokken. Hij had het er reuze druk mee. Om niet te achterhalen redenen had hij zijn matras en kleren op het gemeenschappelijke balkon gegooid, waarna het flink was gaan regenen. Hij had de boel naar binnen gehaald en had het matras op de overloop met een föhn proberen te drogen. Met zo’n kleine haarföhn ging dat niet snel. Daarom had hij het ding tegen het matras aan gezet, dan kon hij ondertussen iets anders gaan doen en zo was er een gat in het matras gebrand, hij wees er giechelend naar. Ondertussen was hij bezig te veel kleren in de centrifuge te proppen, een apparaat dat nog van mijn oma was geweest en dat ik wilde ophalen. Het was er een die het overtollige water uit de kleren zwiert, dat via een opening onderaan in een opvangbakje stroomt.

Hij schakelde het in. Behalve dat hij het opvangbakje er niet onder zette, begon het ding bonkend te grommen.

‘Hij zit te vol,’ zei ik.

‘Zo gaat het wel,’ zei hij.

Hij probeerde de machine in bedwang te houden en keek naar het stroompje dat aarzelend uit de opening onder aan de trommel op de grond begon te lopen. Ik greep naar het bakje dat in de douchecabine stond, maar dat was niet meer nodig. Met een knal viel het apparaat stil. Vol interesse boog Arie zich eroverheen. Ik bleef even staan met het opvangbakje in mijn hand, maar aangezien Arie volledig in de machine opging – hij trok aan het snoer en begon haar van alle kanten te bekloppen – zette ik het weer terug waar ik het gevonden had en trok de deur achter me dicht.

Ik ben best een twijfelaar, maar soms is het ook voor mij duidelijk dat ik niets meer kan toevoegen.