Tweede-helftvoetbal

30-plusvrouwen maken hun debuut op de grasmat. „Ik sta al mijn hele leven langs de lijn balletjes terug te trappen in de hoop dat iemand mij erbij vraagt.”

35plus-team voor een uitwedstrijd op IJburg, Amsterdam. Mascha de Greef (foto rechtsboven) zal als enige scoren. In de kleedkamer zit zij naast schrijfster Lydia Rood (57). Eindstand: 4-1.

De afgelegen sportvelden van de Amsterdamse wijk IJburg liggen er verlaten bij. Nog wel. In kleedkamer 3 hangt een licht nerveuze stemming. Tien vrouwen van de club Geuzenmiddenmeer kleden zich om voor hun tweewekelijkse voetbalwedstrijd op zaterdagmiddag. Ze zijn allen boven de 35 en pas een paar maanden geleden begonnen met voetbal. Onder hen een 51-jarige oma – met een ijzeren conditie.

Terwijl in het krappe houten hok al pratend kniekousen over scheenbeschermers worden gestroopt, wijst trainer-coach Clarie Verwers de posities toe. Met een ‘coachboard’ met magnetisch speelveld legt ze uit wat ze bedoelt. „Jij bent voorstopper”, zegt ze tegen een rustige vrouw met grijs haar. „Dat betekent dat je voortdurend bij hun spits blijft.” Tegen een lange vrouw met bril: „Laat je niet naar buiten trekken. Dan ontstaan er gaten.”

Voetballen. Dat is toch mannenheroïek? Buiten trainen onder felle lampen, weer of geen weer. Elk weekend beulen in een wedstrijd en dan met de jongens aan het bier. Natuurlijk, het meisjesvoetbal heeft een grote vlucht genomen. Maar wat bezielt rijpere vrouwen om alsnog te debuteren op het veld?

Soms is het een oud verlangen. Clarie Verwers (47) richtte al op de basisschool de club FC Zwolle op met haar vriendinnetje Florentien – waarbij de letters FC voor hun voornamen stonden. Omdat er geen meisjesvoetbal was, ging ze op hockey. Maar ze bleef voetballen op pleintjes en in tuinen. Het kreeg haar weer te pakken toen ze een jaar of vier geleden op een kinderverjaardag met een stel andere ouders een potje voetbalde. Ze besloot dat het nog niet te laat was.

Andere voetballende vrouwen waren eerder nooit op het idee gekomen. Zoals verpleegkundige Ingeborg Sandbergen (31). Ze begon twee jaar geleden bij SVC’08 (Scheveningse Voetbal Combinatie), op uitnodiging van een collega. Twee keer per week trainen, elke week wedstrijd. Van haar teamgenoten is het overgrote deel wel jong begonnen. „Ik krijg elke week te horen dat ik niet met mijn wreef kan schieten. Ik ben echt een punter.” Is ze dan niet het pispaaltje van het team? „Nee, dat vind ik ook het leuke. Ik krijg ook de bal aangespeeld, ik word niet genegeerd.” Wat ze mist aan techniek, maakt ze goed met fanatisme, denkt Sandbergen. „Dat is mijn sterke punt. Ze zeggen vaak: ik wou dat ik zo enthousiast was als jij. Dan zeg ik: ik wou dat ik jullie techniek had. Zo komen we er wel uit.”

Op het natte kunstgras op IJburg beginnen de eerste 35-plussers aan hun warming-up. Er staat een frisse wind. Vliegtuigen komen laag over, rafelige wolken jagen voorbij. Veel speelsters zijn verkouden. De meesten dragen een legging onder hun zwarte voetbalbroek, sommigen hebben een thermoshirt aan. Iemand legt een pakje tissues klaar in de dug-out. Jurist Annemieke Orthel (51) is een van de weinigen met blote benen. Het voetballen ligt haar, vertelt ze. „Je zit in een team hè. Tijdens trainingen en wedstrijden móet je mee, dat heb je niet als je hardloopt in je eentje. Dat bevalt me goed. En het buiten zijn.”

Clarie Verwers kon terecht bij de club Geuzenmiddenmeer, waar al wat andere dames speelden. Het viel haar niet mee, als veertiger negentig minuten voetballen tegen meiden van vaak een jaar of twintig jonger. „Ze waren soms ook best hard. In mijn eerste wedstrijd werd ik ‘gesandwiched’. Ik kon meteen het veld af.” De grens was bereikt toen ze moest spelen tegen het elftal van de vriendin van een van haar zoons (18 en 22). Ze zag al voor zich hoe de ouders van die vriendin langs de lijn stonden bij een wedstrijd waarin hun dochter tegen haar schoonmoeder moest. „Ik dacht: waarom is er niet gewoon voetbal voor vrouwen van onze leeftijd?”

Met een groepje anderen zette ze de eerste officiële KNVB-35-plusvrouwencompetitie op, volgens regels die ook gelden bij mannelijke veteranen die het reguliere voetbal te zwaar vinden: met zeventallen op een half veld, geen buitenspel, onbeperkt wisselen. Daarbij beperkten de vrouwen het aantal wedstrijden tot een per twee weken; elke week vonden sommigen te veel. De competitie, begonnen in september, telt nu acht teams, verdeeld over een beginners- en een gevorderdenpool.

Voetbalclubs reageren overwegend positief op de nieuwe aanwas, zegt Verwers. Soms hoeven de 35-plusvrouwen minder contributie te betalen omdat ze minder vaak spelen. Hier en daar doen mannen nog wat lacherig als de vrouwen de kleedkamersleutels komen halen.

Complimentenvoetbal

Het fluitsignaal. Coach Verwers schreeuwt aanwijzingen over het veld. „Leg die bal dood! Voet erop! Ja goed zo!” „Het is complimentenvoetbal hè”, grinnikt wisselspeler Monique langs de lijn. „Net als bij de mini’s.” Tegen een andere wisselspeler: „Ziet die scheids nog wat! Dat was behoorlijk hands!” De scheids is een jongen van een jaar of zestien. Ook de vier toeschouwers zijn man.

Hoekschop. „Ik heb dit nog nooit gedaan!”, roept de vrouw die hem neemt. Aarzelend staat ze iets te lang achter de bal. „Ik heb geen brood mee!”, roept een van de mannen. Uitzinnig gejuich alom als nummer drie Mascha de Greef, warrig blond haar, rode lippenstift, aan de overkant van het veld de bal langs de keeper schuift.

Ulrika de Jonge (38) van de thuisclub heeft vroeger op hoog niveau getennist. Een individuele sport, héél anders. „Ik moest wel wennen hoor. Dit is heel gezellig, maar over alles is discussie. Kom je als wissel in het veld, sta je verkeerd, en daar heeft iedereen dan een mening over.” Ook de wedstrijdplanning gaat met veel communicatie gepaard. „Ik denk dat er sinds gisteravond wel zestig appjes geweest zijn over wie er kwamen spelen en wie niet.”

Zweepslag

Blessures vormen in haar team een probleem, vertelt ze. „Er zijn vrouwen die er al een aantal maanden uit liggen. Met zweepslagen enzo.” Trainer Verwers denkt dat de meeste blessures te vermijden zijn met een goede warming-up. „Ik zeg ook tegen iedereen: doe je best op een verstandige manier. Niet nóg een keer achter die bal aan als je voelt dat het niet meer gaat. En we hebben onbeperkt wisselen. Iemand met een slechte conditie kan er na vijf minuten uit. Vijf minuten bijkomen en weer vijf minuten erin.”

Schrijfster Lydia Rood (57), grieperig, is Laatste Man. Ze wisselt af met nummer 13 Monique. Rood had vroeger vier voetballende broers, vertelt ze terwijl ze op de bank op haar beurt wacht. Waar ze opgroeide, was eerst geen voetbal voor meisjes. En toen het kwam vond ze het te tuttig. „Het was in de tijd dat je opgemaakt op het veld verscheen en hands mocht maken om je borsten te beschermen. Dat vond ik niks. Ik vond vóetbal leuk, het rauwe.” Dat ze nu voetbalt komt doordat ze is gescout, vertelt ze giechelend en niet zonder trots. „Ik stond langs de lijn bij mijn volwassen dochter en trapte een bal terug. Toen zei een teamgenoot van mijn dochter: jij kunt voetballen, wil je niet meedoen. Haha. Ik sta al mijn hele leven langs de lijn balletjes terug te trappen in de hoop dat iemand dat zegt.”

Ze vindt het heerlijk, vertelt ze, haar ogen op het veld gericht. Ja wat is het precies, moeilijk uit te leggen. „Dat de bal doet wat je wilt. Dat je soms precies op de goede plek staat.” „Mooi Monique”, schreeuwt ze. „Goed gestoord!” Als ze invalt, krijgt ze een penalty tegen voor het iets te gedecideerd blokkeren van de spits. „Sorry jongens”, zegt ze even later. „Ik wist even niet meer wat ik moest doen.” „Anders was hij er ook in gegaan”, troost Monique. „Het was gewoon een uitgesteld doelpunt.”