Potentieverhogend kompres

Te midden van Duitse hypochonders kuurt correspondent Frank Vermeulen in het Tsjechische oord Mariënbad. Drie dagen lijken er drie weken.

Al in de negentiende eeuw was het toenmalige Mariënbad een befaamd kuuroord.

Dag 1 hydrotherapie

Ergens komt elektronische zweefmuziek vandaan. In het halfduister zie ik een groot ovaal wit bad staan, gevuld met water. Op mijn kuurbriefje staat dat ik om 10.30 uur een ‘Perlbad’ zal krijgen: hydrotherapie. De luchtbelletjes in het water zijn volgens de brochure niet alleen ontspannend. Het Perlbad is goed voor de nieren, de bloedsomloop, het verminderen van stress en niet te vergeten: het stimuleert de spijsvertering.

Een zuster in een zalmkleurig uniform duikt op. „Komt u maar.” Ik klauter het bad in. Ze strooit een okergeel poeder in het water, draait aan een knop en verdwijnt. Het water begint zo geweldig te borrelen, dat ik me schrap moet zetten. Ik wacht tot de helende werking begint.

Daar lig ik dan: in de kuurkelder van Hotel Palace-Zvon in Mariánské Lázne, voorheen Mariënbad, pal over de Duitse grens in Tsjechië. Na de Tweede Wereldoorlog werden hier de zogeheten Sudeten-Duitsers verdreven. Maar sinds de Val van Muur in 1989 is het befaamde negentiende-eeuwse kuuroord opnieuw gekoloniseerd, nu door Duitse hypochonders.

In het gangenstelsel onder dit hotel, zoals de meeste in Mariënbad een statig Victoriaans paleis uit het fin de siècle, hangen mijn medebewoners rond in de door het hotel verstrekte witte badjas, in afwachting van hun behandelingen.

Kuren is een wezenlijk onderdeel van het Duits-zijn. Duitsers praten graag en veel over hun aandoeningen. Wettelijk is vastgelegd dat zij ter voorkoming van ziekten om de vier jaar recht hebben op een kuur. Terwijl in de roman De toverberg van Thomas Mann (die ik hier herlees) alleen de elite rondloopt in sanatorium Berghof, is het kuren nu volledig gedemocratiseerd. In de roman, die speelt aan het begin van de vorige eeuw, bezoekt hoofdpersoon Hans Castorp zijn neef die is aangetast door tuberculose. Aan het begin van de roman denkt Castorp dat hij kerngezond is. Ook ik denk dat mij niets mankeert.

Dag 2 vulkanisch koolzuurgas

Drie weken zou het bezoek van Hans Castorp duren, het werden zeven jaar. Het spel met tijd en ruimte wordt door Thomas Mann gethematiseerd. De sanatoriumwereld ‘daarboven’ op de toverberg is een parallelle werkelijkheid waar de conventies van ‘beneden’ niet gelden en het gevoel voor tijd verdwijnt. Wie naar Mariënbad reist, overkomt ook zoiets: in dit negentiende eeuws jugendstildecor lijken drie dagen drie weken.

Na het ontbijt, dat hier net zo overvloedig is als in de Berghof, lig ik op de tweede dag in een grote blauwe plastic zak gevuld met vulkanisch koolzuurgas (CO2) , dat hier gratis uit de Mariën-bron komt. Dit heet het ‘droog-gaskompres’. Bovendien brengt de zuster een zuurstofteugel aan onder mijn neus, die je normaal alleen ziet bij ernstig zieke longpatiënten. Ik hoor mijn lotgenoten in de vier melkglazen cellen naast mij hoesten, rochelen en verliggen.

In de normale wereld is CO2 het kwaadaardige broeikasgas dat wordt verdacht van het veroorzaken van klimaatverandering. Maar hier is het een geneesmiddel ter behandeling van hypochondrie en hysterie. Ook zou de gaskuur goed zijn voor de mannelijke potentie, omdat de productie van testosteron zou worden gestimuleerd. Ik ben blij rustig te kunnen liggen omdat mijn rug nog beurs is van de Oostblok-massage (met de vuist) van gisteren, na het bellenbad.

Afgezien van een Chinees, een donkerharige vrouw met droevige ogen en een man met schouderlang haar en een dunne pornosnor, zijn de kuurgasten in hotel Palace-Zvon gepensioneerd. En Duits. Bij het ontbijt zitten ze te keuvelen in Adidas-trainingspakken. Net als de teringlijders van Thomas Mann eten de kuurgasten van Mariënbad als bezetenen. Alleen, hier mankeert formeel niemand wat: iedereen die afdaalt naar de kuurkelders moet een verklaring ondertekenen waarin staat dat men niet lijdt aan een waslijst van aandoeningen van hartkwalen en huidziekten tot aids.

Kuren doet men om te revalideren na een medische behandeling en ter preventie van ziektes, zegt mevrouw Drexler van het gelijknamige kuurreisbureau, die me ’s middags opzoekt om de financiële kant te regelen. Mevrouw Drexler beveelt speciaal de kuur met CO2-injecties aan tegen gewrichtspijn. „We hebben een stamgast die elk jaar met haar rollator binnenkomt maar dankzij die injecties na drie weken weer zonder hulpmiddel naar buiten wandelt.”

Dag 3 paraffinekuur

Tijdens de paraffinekuur op de laatste dag raak ik in gesprek met een oudere dame uit Freiburg. De kuur komt erop neer dat je je handen vijf keer in vloeibaar kaarsvet dompelt. De zuster verpakt de handen in boterhamzakjes en vervolgens in witte duimloze wanten. „Ik kom hier vooral vanwege de mondaine sfeer”, zegt de oudere dame. En dat doet ze al twaalf jaar, ofschoon ze veel dichter woont in de buurt van het befaamde kuuroord Baden Baden. „Het is er kleinburgerlijk. Dit is een keizerlijke badplaats.” Ze doelt op de Oostenrijkse keizer Franz-Joseph I die hier kuurde. In Mariënbad heeft iedereen gekuurd die in Europa wat voorstelde: van Goethe tot Franz Kafka, van Wagner tot Gontsjarov. De stad inspireerde in 1961 nog tot de prijswinnende nouvelle-vaguefilm L’année derrière à Marienbad.

De oudere dame ondergaat elke ochtend vijf behandelingen. Onder meer modderkompressen voor haar pijnlijke nekwervels en massage voor haar linker dijbeen dat ze ooit bij het skiën heeft gebroken. Ik beken dat ik door mijn beroep af en toe wel last heb van pijn in mijn handen. De warme paraffine doet weldadig aan. Zo word ik ook even een doodgewone Duitser die over zijn kwaaltje klaagt.

Overigens is er, zegt de oudere dame, nog een reden om niet naar Baden Baden te gaan: „Daar komen veel te veel Russen.” Normaal zijn er in Mariënbad ook meer Russen, zegt ze. „Maar dit jaar niet. Vanwege die oorlog in Oekraïne.”

Russen zijn er ook veel in de Berghof van Hans Castorp. Hij verdeelt ze in ‘goede’, beschaafde Russen, zoals madame Chauchat op wie hij verliefd wordt, en ‘slechte’ Russen, zoals het echtpaar dat ongegeneerd luidruchtig de liefde bedrijft in de belendende kamer.

In het hotel heb ik niemand kunnen ontdekken die op madame Chauchat lijkt. De oudere dame kent alleen slechte Russen, die te veel wodka drinken en nu de vrede in Europa in gevaar brengen.

De Toverberg ontpopt zich als een anti-oorlogsroman en eindigt met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Hans Castorp, door de auteur inmiddels aangeduid als „onze sukkel”, verdwijnt in het krijgsgewoel van een veldslag in Noord-Frankrijk. Voldoende genezen om te kunnen sneuvelen.

Als ik het kuuroord uit rijd, voel ik dat de schrijfpijn in mijn linkerhand, die na het paraffinekompres even weg was, weer terug is.