Nee, niet wéér een commissie!

Al meteen toen hij aantrad als rector magnificus van de Vrije Universiteit kreeg Frank van der Duyn Schouten te maken met de affaire rond econoom Peter Nijkamp. ‘De VU had zijn infrastructuur rond wetenschappelijke integriteit niet op orde.’

Frank van der Duyn Schouten, rector magnificus van de Vrije Universiteit Amsterdam. Foto Merlijn Doomernik

Aan de Vrije Universiteit in Amsterdam wordt te weinig gesproken over wetenschappelijke integriteit. Vindt rector Frank van der Duyn Schouten. „Bedenk alleen maar dat het onderwerp tot voor kort niet standaard in de opleiding van promovendi zat”, zegt hij op de tweede verdieping van het universitair hoofdgebouw. „Inmiddels overigens wel hoor.”

De rector, die in 2013 aantrad, wil maar zeggen: de VU moet van ver komen. Terugkijkend op de afgelopen twee jaar, en de ophef waarmee de VU te maken kreeg, zegt hij: „De universiteit had zijn infrastructuur rond wetenschappelijke integriteit niet op orde.”

Vliegwiel van de bewustzijnsverandering zijn twee spraakmakende zaken die de VU veel slechte publiciteit hebben bezorgd. Eerst was er de kwestie rond de gepensioneerde antropoloog Mart Bax, die, zo bleek later, op zijn publicatielijst niet bestaande artikelen had opgevoerd en waarschijnlijk bronnen en gebeurtenissen verzon.

Daarna volgde de zaak rond emeritus economiehoogleraar Peter Nijkamp. Twee jaar heeft die zaak voortgesleept. Met name daarover wil Van der Duyn Schouten praten. Omdat er deze week een belangrijke fase is afgesloten, met de publicatie van een hard rapport over Nijkamp en zijn omvangrijke oeuvre. Op grote schaal heeft hij lappen tekst gerecycled in wetenschappelijke publicaties, zo concludeerde de onderzoekscommissie onder leiding van emeritus hoogleraar belastingrecht Jaap Zwemmer. Het oordeel: een questionable research practice, een twijfelachtige onderzoekspraktijk.

Wat vind het VU-bestuur van het rapport?

Van der Duyn Schouten – van achtergrond wiskundige: „We zijn tevreden over het werk van de commissie-Zwemmer, en accepteren het. De commissie constateert dat er een praktijk in deze community aan de orde was die vragen oproept. Die conclusie nemen we over. Maar de term questionable research practices nemen we niet over.”

Waarom niet?

„We vinden dat de term wel van toepassing kan zijn op het collectief van 43 artikelen waarin de commissie-Zwemmer overlap heeft aangetroffen, maar niet op iedere individuele publicatie. Dan zul je ze apart moeten onderzoeken. Dat betekent verder onderzoek. Weer een commissie. Maar of we daar iets mee opschieten? Over dat begrip, questionable research practices, heeft de KNAW zich pas vorig jaar uitgesproken, in het briefadvies ‘Correct citeren’. Terwijl die 43 artikelen ouder zijn.”

Wat wil dat zeggen?

„Je hebt de puur juridische kant en je hebt de kant van: wij kunnen hier als wetenschappelijk collectief onze lering uit trekken naar de toekomst toe.”

Wat is die juridische kant?

„Dat je moet vaststellen of er per artikel sprake is van questionable research practices. En dan voorzie ik dat er ruimte zal zijn tussen de tijd dat die praktijk ontstond en de richtlijnen die toen golden.”

Maar de commissie zegt dat in 1995 ook al duidelijk was dat hergebruik van eigen teksten zonder bronvermelding problematische vormen kon aannemen.

„En juridisch zeg je dan: waar stond dat dan? Dan ben ik bang dat je uiteindelijk door hogere instanties teruggefloten kan worden. De boodschap die we willen afgeven zou kunnen ondersneeuwen in een lawine van individuele discussies. Waarmee je het rapport van de commissie eigenlijk naar de prullenbak verwijst. Dan bereikt het niet dat doel waar wij het nadrukkelijk voor zouden willen gebruiken.”

Heeft de VU bij haar standpuntbepaling rekening gehouden met eventuele juridische acties van Peter Nijkamp?

„Nee.”

U maakt de bijlage van het rapport, waarin alle onderzochte artikelen staan opgesomd, niet openbaar. Waarom niet?

„Dat vinden we in dit stadium niet verantwoord. Bij de meeste artikelen zijn co-auteurs betrokken. Zij zijn niet gehoord door de commissie. We willen hen op basis van deze analyse niet ook bij voorbaat in de beklaagdenbank zetten.”

De commissie heeft ook gekeken naar mogelijk plagiaat, maar besteedt er uiteindelijk geen aandacht aan. Waarom niet?

„Er zijn in die 43 artikelen wel tekstblokken gevonden die overlappen met werk van derden, maar dan gaat het vaak om projectvoorstellen en working papers. De commissie zegt daar verder over dat het vaak niet duidelijk was welke publicatie als eerste aan de uitgever is gestuurd. En het zou niet meer dan één of enkele zinnen betreffen.”

Maar dat blijkt niet te kloppen als je de bijlage goed doorleest. Is de commissie onzorgvuldig geweest?

„Daar heb ik op dit moment geen antwoord op.”

Of is de kwestie plagiaat er bewust uitgelaten?

„Nee, zo interpreteer ik het niet.”

Hoe kijkt u terug op de zaak, en de aanpak ervan door de VU?

„Ik ben 1 mei 2013 in dienst van de universiteit gekomen, en nog voordat de maand om was had ik deze situatie aan m’n broek hangen. Het begon met de ophef rond het proefschrift van Karima Kourtit, van wie Nijkamp toen promotor was. Ik constateerde vervolgens dat er bij de VU intern kwestieuze praktijken aan de orde waren. Onze ombudsman was bijvoorbeeld ook lid van de eerste commissie die het proefschrift van Kourtit onderzocht. Dat kan natuurlijk niet. Het LOWI [Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit, red.] had daar terecht kritiek op.”

De voormalige voorzitter van het LOWI, Kees Schuyt, vond het ook een ernstige fout dat de VU op basis van een anonieme klacht een commissie aan het werk zette.

„Er is de afgelopen twee jaar een hele trits van anonieme klachten gekomen van dezelfde persoon. Als ik daar nu op terugkijk, had ik waarschijnlijk eerder moeten zeggen: ik wil nu wel eens weten wat de intentie van de klager is. Handelt deze persoon uit rancune, om iemand anders een hak te zetten? Of is hij echt zo kwetsbaar dat anonimiteit terecht is? Voor het tweede onderzoek naar Kourtit heeft deze persoon 16 punten ingediend, waarvan er 13 onterecht bleken. Dat wekt toch de indruk dat de klager alles uit de kast heeft gehaald om mensen te beschadigen.”

Dus geen anonieme klachten meer?

„We willen er toch ruimte voor blijven bieden. Daarin verschillen we van mening met het LOWI. Denk bijvoorbeeld aan een aio die nog bezig is met zijn promotie en nadrukkelijk iets te melden meent te hebben tegen zijn eigen promotor. Maar als college vinden we inmiddels wel dat als een klager zich anoniem meldt, dat hij in principe beschikbaar hoort te zijn voor hoor en wederhoor, onder de garantie van vertrouwelijkheid.”

Er zijn vaker meningsverschillen met het LOWI. Een zwakte is dat het orgaan alleen adviezen geeft, en niks kan afdwingen. Moeten de universiteiten niet naar een tuchtrechtsysteem, waarbij veel duidelijkere regels worden opgesteld?

„Persoonlijk zit ik op een andere lijn. Wetenschappers moeten onder elkaar meer het gesprek voeren over integriteit.”

Hou je dan niet een hoge mate van subjectiviteit, die steeds tot verwarring blijft leiden?

„Ik verwacht geen heil van regel op regel. Dat we als wetenschappers worden omgeven door een soort omheining onder hoogspanning waar we van moeten wegblijven. Ik ben voor zelfregulering. Maar ik vind wel dat er steviger moet worden ingegrepen als het echt uit de hand loopt.”

Zitten er voor Peter Nijkamp nog consequenties aan het rapport, en het standpunt van de VU?

„Niet in disciplinaire zin. Wel zou ik hem willen uitdagen eens de blik naar binnen te richten en zich af te vragen: ‘ben ik hier op een goede manier bezig geweest?’”

Daar lijkt het vooralsnog niet op. Hij heeft felle kritiek op het commissie-onderzoek.

„Dat stel ik ook vast.”

Peter Nijkamp werd in 2009 aan de VU benoemd tot universiteitshoogleraar, een zeer bijzondere positie. Hoe kijkt u hierop terug?

„Mag ik daar een diplomatiek antwoord op geven? Ik was er niet bij. We hebben recent ons beleid rond universiteitshoogleraren tegen het licht gehouden. Zelf heb ik er twijfels bij. Je creëert een vrijgestelde positie. Ik zou een universiteitshoogleraar veel nadrukkelijker willen koppelen aan een nieuw project. Wat ga je de komende vijf jaar doen? En is het dan echt nodig om je een aparte status te geven?”

En hoe ziet u het toekennen van een Spinozaprijs aan Peter Nijkamp, in 1996?

„Ik was blij toen econoom Lans Bovenberg ’m kreeg, in 2003. Ik was toen rector in Tilburg. Lans vond dat ie zich nadrukkelijk in het maatschappelijke debat moest mengen, in zijn geval over pensioenen. Dat bevorderde zijn wetenschappelijke output bepaald niet. Ik vind het goed dat zoiets wordt beloond. Het doordenken van de pensioenproblematiek in Nederland, zoals dat de afgelopen vijftien jaar is gebeurd, is in belangrijke mate op het conto van iemand als Bovenberg te schrijven. Daarvan zeg ik: dat zijn de mensen die een Spinozapremie moeten krijgen.”

En niet...

„Niet op basis van publicatielijsten en H-indexen. Ik denk bij die prijs niet onmiddellijk aan....aan dit soort rapporten.”